Bescheiden uit overvloed

Aan de essayist Sem Dresden is gisteren de P.C. Hooftprijs toegekend. In zijn denken is voor zekerheden geen plaats.

Sommige auteurs moeten kennelijk heel oud worden voordat ze de P.C. Hooftprijs ontvangen. Sem Dresden, geboren in 1914 en dit jaar uitverkoren als laureaat voor het beschouwend proza, is er zo een. Maar eigenlijk had hij de prijs al veel eerder verdiend. Hoewel hij, als hoogleraar Frans en Literatuurwetenschap te Leiden, een respectabele academische carrière achter de rug heeft, is hij altijd in de eerste plaats een essayist gebleven. Iemand die er niet op uit is de lezer met zijn eruditie te verpletteren. Door de stof beweegt hij zich eerder tastenderwijs, met open oog voor verrassende perspectieven en onverwachte wendingen.

Zijn grote voorbeeld moet Montaigne zijn geweest, de uitvinder van het genre, over wie hij meer dan eens heeft geschreven. In zijn laatste essaybundel Het vreemde vermaak dat lezen heet (1997) omschrijft Dresden het essay als een combinatie van `losse praat' en wetenschap. In verband met Montaigne heeft hij het ook over `keuvelen en babbelen' en over `nonchalance'. De kwalificaties zijn evengoed op hemzelf van toepassing. Op papier lijkt hij allereerst een spreker, die ogenschijnlijk voor de vuist weg het woord voert. Alsof de vele voorbeelden en verwijzingen waarmee hij zijn betoog doorspekt hem ter plekke zijn ingevallen. Eruditie en geleerdheid zijn voor Dresden een vanzelfsprekendheid, niet iets waarop hij zich laat voorstaan.

Wat hij te berde brengt is bijna altijd omzwachteld door een hartgrondige scepsis, die in zekere zin door de kennis zelf wordt uitgelokt. Hoe meer hij weet, des te krachtiger lijkt de twijfel toe te slaan. Abstracties en algemeenheden, waarmee het zo gemakkelijk schuiven is zo lang de afdaling naar de details uitblijft, verdampen nu eenmaal wanneer de aandacht zich concentreert. Niemand die zich daar meer van bewust is dan Dresden, voor wie het uiteindelijk alleen aankomt op het individuele en de onweerlegbare kwaliteit daarvan.

Toch ging hij grotere onderwerpen nooit uit de weg. Hij heeft studies op zijn naam staan over het humanisme, de biografie, het symbolisme en – misschien wel het meest alomvattende op het gebied van kunst en literatuur – de creativiteit. Ook daar verloochent de essayist zich niet. Steeds dienen zich onvermoede problemen aan die nooit allemaal uitputtend te behandelen zijn. Zijn werk ontleent er een openheid aan, die elke conclusie, hoe grondig ook beargumenteerd, een voorlopig karakter geeft.

Je zou dat bescheidenheid kunnen noemen, maar dan wel een bescheidenheid uit overvloed. Een getuigenis in feite van zijn humanistische levensopvatting, waarin voor absolute zekerheden geen plaats is. Ook in zijn literatuuropvatting komt dat tot uiting. Een geslaagde roman of een geslaagd gedicht is nooit helemaal af of volmaakt. Met deze instelling was Dresden bij uitstek geschikt om zich te storten op de Holocaust-literatuur, die hem mede vanwege zijn joodse achtergrond na aan het hart lag. Al in 1959 schreef hij erover, in het essay De literaire getuige. Ruim dertig jaar later vatte hij zijn bevindingen samen in Vervolging, vernietiging, literatuur (1991), een via diverse vertalingen inmiddels ook in het buitenland erkend standaardwerk.

Vervolging, vernietiging, literatuur heeft de rest van Dresdens omvangrijke oeuvre enigszins overvleugeld. Ten onrechte. Het zou daarom mooi zijn als de toekenning van de P.C. Hooftprijs werd aangegrepen als een gelegenheid om nu een aantal van zijn vroegere werk een tweede kans te gunnen. Een betere manier om de ontwikkeling te tonen van de even lucide als eigenzinnige blik die de lezer door de Holocaust-literatuur gidst, is moeilijk denkbaar.