Schuld door nalatigheid

De redenering van premier Kok dat het aftreden van zijn kabinet wegens Srebrenica het nemen van verantwoordelijkheid inhoudt en niet het erkennen van schuld, is onbevredigend. Want er is wel degelijk sprake van schuld, meent Paul Scheffer.

Waarom was de val van het kabinet nu ineens onvermijdelijk geworden? Het heeft namelijk heel lang geduurd. Misschien waren die zeven lange jaren nodig voordat de betrokkenen de verschrikkelijke waarheid over Srebrenica publiekelijk konden aanvaarden. Het was een klassiek geval van verdringing. Over de val van de enclave kan men vele duizenden bladzijden schrijven, maar het drama kan ook in één zin worden samengevat: Nederland heeft als deel van de Verenigde Naties aan de inwoners en vluchtelingen in Srebrenica bescherming toegezegd, die, toen het er op aankwam, niet is gegeven.

Het NIOD-rapport legt terecht veel nadruk op het besluit tot uitzending van Dutchbat, dat ,,ondoordacht'' en ,,onuitvoerbaar'' wordt genoemd. Daar is niets teveel mee gezegd. De regering maakte een gebaar, dat door morele overtuigingen en ook door internationaal prestige was ingegeven, maar weigerde de praktische gevolgen daarvan onder ogen te zien. Men wilde een vrede gaan handhaven, waar geen vrede was.

Nu wordt allerwegen de indruk gewekt dat daarover een consensus bestond in Nederland en dat de media als geheel de politiek onder druk hebben gezet om deze stap te zetten. Daar valt wel iets op af te dingen. NIOD-directeur Blom zei namelijk bij de presentatie van het rapport: ,,Het waren niet het parlement of de media die het kabinet dwongen''. En bovendien waren er in 1992 en 1993 zeer uitéénlopende opvattingen als het ging om militaire interventie. Dat wordt uitvoerig in het NIOD-rapport gedocumenteerd. Een meerderheid van degenen die zich in het publieke debat mengden was vóór interventie. Ze hadden goede argumenten, die ook in het licht van de latere uitkomst niet zo maar kunnen worden weggeveegd. Maar tegen waren onder anderen ,,de meeste militairen, Beunders, Brands, Van Doorn, Koch, Hiltermann, Michielsen, Scheffer en J. Marijnissen''. Er waren velen die principiële bezwaren hadden, vooral ook tegen de notie van een `beperkte interventie', het zogeheten `iets doen' omdat `niets doen geen optie was'. Een dergelijke halfslachtigheid vermeed de echte keuzes.

Dat de `meeste militairen' tegen waren is van wezenlijk belang. Die voorgeschiedenis laat de politieke verantwoordelijkheid voor wat is gebeurd veel beter uitkomen. Wat het NIOD-rapport onvoldoende laat zien is dat er een diepgaand meningsverschil bestond in de jaren voorafgaande aan het besluit tot uitzending. Daarbij ging het om de hervorming van de krijgsmacht, die, in de ogen van velen, een nieuwe rechtvaardiging nodig had na het einde van de Koude Oorlog. Minister van Defensie Ter Beek kwam toen met zijn zogeheten Prioriteitennota, die naast de klassieke taak van de krijgsmacht, namelijk zelfverdediging, veel nadruk legde op een nieuwe taak, namelijk het bevorderen van de internationale rechtsorde. Eigenlijk, zo zei de minister, zijn er geen prioriteiten en kunnen de eigen veiligheid en het internationale recht niet meer worden onderscheiden. Humanitaire interventie, dat wil zeggen de inzet van militaire middelen om ernstige schendingen van de mensenrechten tegen te gaan, werd één van de leidende beginselen voor de inrichting van de krijgsmacht.

Op dat moment werd de eerste verwijdering tussen de politieke besluitvorming en het denken in de top van de krijgsmacht zichtbaar. Vele militairen vroegen zich af welke risico's een land als Nederland bereid zou zijn te nemen bij ingrijpen in het geval van strikt humanitaire aangelegenheden. Besefte men in Den Haag wel voldoende dat humanitaire interventie, hoe nobel ook de motieven zouden kunnen zijn, uiteindelijk een ander woord was voor oorlogsvoering? Zou deze nieuwe doctrine niet leiden tot een heilloze verwarring van hulpverlening en geweldsgebruik?

Lees nog eens het interessante artikel van Leonard Ornstein in Vrij Nederland van 20 november 1993, waarin hij een rondgang maakte langs militaire leiders en hun meningen peilde. Generaal-majoor Ruurd Reitsma zei bijvoorbeeld: ,,We kunnen niet voor iedere gril van een politicus een commitment aangaan''. Brigade-generaal Peter Strik vulde aan: ,,Politici stellen hun opdrachten vaak zo verdomd onduidelijk.'' Militairen leken zich beter de onbeheersbare kanten van zulk interventionisme te realiseren. Generaal-majoor Harry Satter: ,,Oorlog is een hel. Het geeft rotzooi en haalt het slechtste van het slechtste in de mens naar boven.''

Zulke stemmen zijn onvoldoende gehoord in politieke kring. En het moet gezegd, dat ze niet sterk genoeg onder woorden zijn gebracht door de militairen zelf. Die voelden zich gegijzeld door hun eigen ambitie om de krijgsmacht min of meer in dezelfde omvang te handhaven. Er waren nieuwe taken nodig om een robuuste krijgsmacht na het wegvallen van het Warschaupact te rechtvaardigen. En dus kwam deze nieuwe doctrine van humanitaire interventie als geroepen. Maar werkelijk geloven in deze militarisering van de mensenrechten deed men niet echt. Dat die halfslachtigheid op termijn de legitimatiecrisis alleen maar zou vergroten, wilde men toen niet geloven.

Die voelbare spanning tussen politici en militairen ging vooraf aan het besluit tot uitzending van Dutchbat. Alle fatale dubbelzinnigheden in het denken over de inzet van het leger in omstandigheden waar de eigen veiligheid niet op het spel staat, zijn vervolgens af te lezen aan de manier waarop Nederland naar Srebrenica ging. Het volstaat hier om nog eens de woorden van het NIOD te herhalen: ,,ondoordacht'' en ,,onuitvoerbaar''.

Wat daarna is gebeurd, bevestigt dat oordeel. Of de Nederlandse soldaten in juli 1995 veel meer hadden kunnen doen, zal nog lang omstreden zijn. Maar dat het kabinet en de militaire top uiteindelijk werden geleid door de gedachte aan de veiligheid van de eigen troepen is wel zeker. Alle speculaties over `lotsverbondenheid' met de mensen die ze geacht werden te beschermen zijn pijnlijk genoeg voor de regering. Maar deze onzekerheden kunnen niet wegwissen dat men tevoren een gedragslijn had afgesproken die niet voorzag in verzet tegen een eventueel Servisch offensief. Zoals een betrokken minster zei: ,,We hadden een afspraak met Mladic dat hij niet zou aanvallen.''

De redenering van Kok, die sprak over verantwoordelijkheid en niet over schuld voor de massamoord, is werkelijk problematisch. Dan was Voorhoeve toch preciezer toen hij een jaar na de val van Srebrenica zei: ,,De VN, en de lidstaten van de VN, en Nederland als één van die lidstaten, hebben een afgeleide schuld, je zou kunnen zeggen de schuld van de nalatigheid.'' Dat is een juiste omschrijving: je kunt medeplichtig worden aan een misdrijf, ook aan oorlogsmisdaden, door iets achterwege te laten. Dat heet `schuld door nalatigheid' – en dat weet iedereen in binnen- en buitenland.

De handelingen van de regering na die dramatische val van Srebrenica maken ook duidelijk dat men zich dat verwijt toen al maakte. De pogingen om onwelgevallige informatie achter te houden laten zien dat men zich in militaire en politieke kringen realiseerde dat er iets verschrikkelijks was gebeurd. De weigering van Kok om een parlementaire enquête in te stellen wijst daar ook op. Het oordeel van het NIOD over Van Kemenade, namelijk dat zijn onderzoek niet in dienst van de waarheidsvinding stond, kan niet zonder gevolgen blijven, allereerst voor de leiding van de landmacht.

Verder deed men na die zomer van 1995 het één en ander om de dubbelzinnigheden van de nieuwe defensiedoctrine te verhelpen. De criteria voor uitzending van militairen, waar velen om gevraagd hadden, werden veel scherper geformuleerd dan daarvoor. Het was duidelijk geworden dat de opdrachten van politici, in de eerder geciteerde woorden van brigade-generaal Strik, ,,vaak zo verdomd onduidelijk zijn''. Die late erkenning heeft een tragische kant, want het was wel te voorzien dat halfslachtige mandaten tot een humanitaire ramp konden leiden. Al in 1994 werd immers door Voorhoeve geconcludeerd dat het een mission impossible betrof. Hoezo wijsheid achteraf?

Wie de vraag wil beantwoorden waarom uitgerekend Nederland in Srebrenica terechtkwam, moet meer zeggen over de diplomatieke traditie van ons land. Het is jammer dat het NIOD zo weinig aandacht besteedt aan het moralisme en legalisme in de buitenlandse politiek van ons land. Dat wordt letterlijk afgedaan in een intermezzo van enkele bladzijden. Toch liggen daar de diepere redenen waarom Nederland zich zo snel heeft willen vereenzelvigen met de gedachte van humanitaire interventie als leidraad voor onze krijgsmacht. Er is een lange traditie van denken in termen van internationaal recht en moraal in de Nederlandse politiek en samenleving. Die traditie heeft heel productieve kanten – denk aan het Internationaal Gerechtshof in Den Haag – en kan ook worden gezien als het natuurlijke belang van een betrekkelijk klein land dat alles te winnen heeft bij een wereld waar het recht het wint van de macht.

Maar die traditie heeft ook tot veel zelfbedrog aanleiding gegeven. Een fraaie uitspraak van Thorbecke uit 1830 kan dat illustreren: ,,De Nederlandsche Staatkunde, zelve vrij van heerschzucht, is de billijkste oordeelaarster over de heerschzucht van anderen''. Iedereen die dat nu leest denkt onmiddellijk, ha, Nederland gidsland. Die continuïteit van een politieke cultuur is heel boeiend en daar horen alle illusies omtrent de eigen motieven bij.

Daar kom je pas achter als je teruggaat in de tijd. Het is daarom jammer dat het NIOD in Srebrenica geen aanleiding heeft gevonden om deze verwarring van macht en moraal scherper tegen het licht van de eigen geschiedenis te houden. Wel worden behartigenswaardige opmerkingen gemaakt over het verschil dat de beroemde Duitse socioloog Max Weber maakte tussen Gesinnungsethik en Verantwortungsethik, zeg maar tussen hen die vooral letten op bedoelingen en zij die vooral kijken naar uitkomsten van politiek handelen. Maar wat nodig is, is een nieuwe doordenking van onze plaats in de wereld. Wanneer Nederland met militaire middelen de mensenrechten wil dienen, dan treedt men in de logica van oorlogsvoering, met alle gevolgen van dien.

Kortom, Srebrenica dwingt tot het opnieuw overdenken van de aloude vraag naar macht en moraal. Het parlement moet zichzelf deze spiegel voorhouden. Wat is gebeurd is daarom veel meer dan een incident, maar vloeit voort uit een maar al te vaak ondoordacht moralisme en legalisme in onze diplomatie. Ook dat maakt de politieke verantwoordelijkheid zo pregnant. Vooral het geloof in de `internationale gemeenschap', door Kok terecht omschreven als anoniem, is veel te groot geweest. Machtsuitoefening door de Verenigde Naties is vaak gewetenloos, omdat uiteindelijk niemand zich verantwoordelijk voelt.

De geschiedenis in en rondom Srebrenica is nu uitputtend gedocumenteerd door het NIOD. Wanneer Kok met zijn aftreden de natie wil helpen om in het reine te komen met Srebrenica, dan brengt dat de verplichting met zich mee om een uitvoerig inhoudelijk antwoord te geven op het rapport van het NIOD en vervolgens dat oordeel voor te leggen aan de kamer. Het aftreden van gisteren mag die gedachtenwisseling niet doorkruisen, anders bewerkt Kok het tegendeel van wat hij zegt te beogen. Een parlementaire enquête zal waarschijnlijk de uitkomst zijn van dat debat.

De politieke verantwoordelijkheden zijn genomen. Kok zei gisteren dat deze ,,niet één specifieke gebeurtenis of één specifiek moment'' betreffen, maar een ,,opeenstapeling van tekortkomingen''. Dit is een onbevredigende formulering, zoals er iets gratuits kleeft aan het gebaar om vlak voor de verkiezingen af te treden. Krachtiger waren de zinnen over de internationale gemeenschap die anoniem is, en daarom nooit op een zichtbare manier verantwoordelijkheid kan dragen: ,,Ik kan – en doe – dat wel.'' Op het slagveld van de symbolen heeft Kok zijn strijd gestreden. Na zeven lange jaren van uitstel en afstel is nu een begin gemaakt met het aanvaarden van het drama-Srebrenica. Daarom was de val van het kabinet onvermijdelijk.

Paul Scheffer is publicist.