Postmoderne profeet

Think fractal!, riep architectuurcriticus Charles Jencks zijn gehoor toe, vorige week in Amsterdam. De man die het postmodernisme misschien niet heeft uitgevonden, maar dat begrip wel heeft gemaakt tot wat het is, sprak in de Academie voor Bouwkunst. Zijn boek The language of post-modern architecture is alweer vijfentwintig jaar oud; ouder dan de meeste mensen die naar hem waren komen luisteren. Dit keer behandelde de gevierde criticus een `nieuw paradigma' in de architectuur. Het fractale denken hoorde daarbij.

Wat een paradigma precies is, of hoe je fractaal denkt, bleef een beetje in het midden. Jencks, een jongensachtige zestiger, legde weinig uit en veronderstelde nogal veel van de grote thema's uit zijn eigen (Amerikaanse) jeugd bekend. Zo noemde hij Thomas Kuhn, die in 1962 het begrip `paradigma' in de wetenschapsgeschiedenis introduceerde. Even later had hij het over de Chicago Seven, de hippe vredesdemonstranten die in 1969-'70 werden berecht. Het is onwaarschijnlijk dat zijn gehoor daar ooit van had gehoord, en toch hing het aan zijn lippen.

Jencks is namelijk de erkende grootmeester van de impressionistische, bevlogen architectuurkritiek. Het gaat daarbij niet zozeer om feiten, noch om de deugdelijkheid van gebouwen, maar om associaties, metaforen en tekens, zo veel als je erbij kunt slepen. Dat hij de Chicago Seven noemde was omdat hun rechtszaak plaatsvond in een glazen kantoorgebouw, ontworpen door Ludwig Mies van der Rohe. Jencks plaatste de oude Mies, zo strak-modern, zo recht-op-en-neer, tegenover het langharige tuig dat toen door die strenge rechtszaal buitelde. Aldus illustreerde hij beeldend het einde van de modernistische architectuur of, in Jenckstaal, het modernistische paradigma. Weg met de rechte lijn, het materialisme, de efficiëntie! Leve de bobbel!

Het zijn de beste sprekers, die één ding zeggen en er duizend suggereren. Dat het modernisme passé is wist Jencks' gehoor natuurlijk al, en ook wat het postmodernisme is. Maar het nieuwe paradigma in de bouwkunst, daarnaar was iedereen benieuwd. En wat blijkt? Het lijkt sprekend op de ontwikkelingen in de natuurwetenschap. Daarmee gaf Jencks zijn jeugdige gehoor precies wat het wilde. Kunst is wetenschap, wetenschap is kunst, yes!

In de natuur, zo vertelde Jencks, komt eigenlijk geen rechte lijn voor. Natuurkundigen schijnen daar ook achter te zijn (sinds geruime tijd eigenlijk al, maar Jencks deed steeds alsof hij het over het nieuwste van het nieuwste had). De ruimte is krom, en de materie, met al die deeltjes, lang zo hard niet als vroeger werd gedacht. Een kleurige dia van een sterrenstelsel bewees hoe postmodern het er in het heelal uitziet, en afbeeldingen van golvende, ribbelige of anderszins rare bouwwerken toonden duidelijke verwantschap met de snarentheorie, membranen, het oscillerende universum. De toehoorders voelden wel dat het veelbetekenende overeenkomsten waren, en luisterden ademloos.

Echt gezellig werd het toen bleek dat ook werk van het befaamde Nederlandse architectenbureau MRDVD (,,Ik zeg altijd merve-derve'', aldus Jencks olijk) in het nieuwe paradigma paste. Wat is namelijk het geval? Net als de natuurkunde heeft de bouwkunde te maken met wetten c.q. voorschriften die niet allemaal tegelijk geldig kunnen zijn – en merve-derve drijft daarmee de spot, door onmogelijke gebouwen te maken.

Niemand vroeg de spreker na afloop om nog iets beter uit te leggen wat het verband is tussen theoretische fysica en bouwkunst. Was dat omdat men het zonde vond om zo'n mooie zeepbel door te prikken, of omdat iedereen toch wel overtuigd was? Ik vrees het tweede, maar misschien is dat te somber. Het kan ook allebei zijn geweest; sommige dingen kunnen namelijk best tegelijk waar zijn.