Dotcomrecessie was niet bijzonder

Hoe moet de dotcomrecessie van 2001 worden omschreven? Als niets bijzonders, vindt het IMF na een recessieonderzoek aan de vooravond van zijn voorjaarsvergadering het komende weekeinde.

Kelderende investeringen, wereldwijd inklappende beurskoersen: 2001 zou een zeer zware economische recessie te zien geven. Het feit dat vrijwel alle industrielanden gezamenlijk de laagconjunctuur ingingen, maakte de kans op een diepe inzinking alleen maar groter. Terug naar de tijd van vóór de wereldoorlogen, toen globalisering ook om zich heen greep en de aaneengeklonken wereldeconomie ook zware recessies kende? Nieuw onderzoek van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) laat er niets van heel. De recessie van 2001 – die strikt gezien in veel landen niet eens een recessie is geweest – was er goeddeels een zoals alle andere.

In een vooraf al vrijgegeven hoofdstuk van de halfjaarlijkse World Economic Outlook, die donderdag wordt gepubliceerd, presenteert het IMF een onderzoek naar alle recessies sinds 1881. De conclusie daarvan is dat recessies sinds de Tweede Wereldoorlog per saldo milder zijn geworden en minder frequent. Het IMF meet `recessies' in het onderzoek overigens als periode van daadwerkelijke economische krimp, niet als het achterblijven van de economische groei bij de trendmatige groei. Aan de `synchroniteit' van recessies – het aantal landen dat tegelijkertijd een recessie doormaakt – is volgens de onderzoekers niets wezenlijks veranderd, al kende de depressie van de jaren dertig een zeer hoge internationale samenhang en was de naoorlogse periode tot 1973 wat dat betreft juist relatief rustig.

De oorzaak van recessies is min of meer hetzelfde gebleven, vindt het IMF: afnemende investeringen zijn de belangrijkste oorzaak. De rol van investeringen is zelfs toegenomen. Dat juist de recessies van vóór de Eerste Wereldoorlog sterk samenhingen met investeringsgolven en dat de postdotcomrecessie van vorig jaar daarom zo op dat tijdperk had moeten lijken, daarvoor vindt het IMF geen aanwijzing. Zij het dat de destijds invloedrijke spoorwegsector niet in het onderzoek is meegenomen.

De reden waarom recessies door de decennia heen zowel in hevigheid als in aantal zijn afgenomen, wordt toegeschreven aan een aantal factoren. Zo is er de geleidelijke overgang van de westerse economieën van landbouw en industrie naar diensten, die veel minder fluctueren. In veel landen werd, zeker in de jaren zeventig en weer in de loop van de jaren negentig, de overheidsbegroting passief ingezet als stabilisator.

Beter voorraadbeheer heeft gaandeweg gezorgd voor een minder grote invloed van het afbouwen van voorraden op de economische bedrijvigheid. En de ontwikkeling van liquide wereldwijde financiële markten zorgt volgens de onderzoekers voor een stabiliserend effect. Bovenal is er de rol van de centrale banken. Die treden op als `verzekeraar' van het banksysteem als niemand meer aan banken wil lenen. Daarnaast zijn zij steeds beter geworden in het toepassen van het rentebeleid.

Dat laatste is een hele verandering. Tot vlak voor de Eerste Wereldoorlog hadden de Verenigde Staten geen echte centrale bank. En de crisis van de jaren dertig is enorm verergerd door beleidsfouten bij de Amerikaanse Federal Reserve, die aanvankelijk bijvoorbeeld de rente opschroefde terwijl de bankencrisis in de VS snel om zich heen greep. Recessies die vergezeld gaan van financiële crises zijn veel heviger dan recessies zonder, vindt het IMF.

Niet alles is in de recente periode koek en ei. Zo komen valutacrises in de moderne tijd vaker voor, en is na 1972 olie een belangrijke conjuncturele factor geworden.

Het naoorlogse tijdperk onder het Bretton-Woodssysteem, toen de internationale valuta's via de Amerikaanse dollar waren gekoppeld aan de waarde van het goud, ontpopt zich zo als het meest gunstige, met de kleinste synchroniteit, de kortste en mildste recessies en de langste tussenliggende periodes van economische expansie.

Wat zegt het onderzoek over de huidige laagconjunctuur na het spatten van de dotcom- en telecomzeepbel? Die wijkt volgens het IMF niet sterk af van wat gebruikelijk is. De synchroniteit is wat groter dan tijdens de vorige recessie van begin jaren negentig, maar de recessie zelf is weer ondieper.

Investeringen en voorraden spelen, in lijn met moderne recessies, de leidende rol. Afwijkingen zijn er echter ook. Hoewel dalende aandelenkoersen typisch voorafgaan aan een recessie, was ditmaal de voorafgaande stijging in de jaren negentig zo groot, dat volgens het IMF aandelen nu nog steeds `rijkelijk gewaardeerd' zijn. En de particuliere consumptie heeft zich in 2001 verrassend goed gehouden, hetgeen de recessie dan wel mild gemaakt heeft, maar het conjuncturele herstel ook kan matigen. Daarmee geeft het IMF aan dat ook van het herstel van de weinig spectaculaire huis-, tuin- en keukenrecessie van 2001 geen vuurwerk hoeft te worden verwacht.