De Duinkerker kapers

De kaapvaart was, in tegenstelling tot de piraterij, in oorlogstijd een volkomen legale activiteit. Vanaf het begin van de Opstand verstrekten zowel de Spanjaarden als de Opstandelingen kaperbrieven, waarmee het een kapitein was toegestaan een schip van de tegenpartij buit te maken. Willem van Oranje gaf op 20 februari 1570 de eerste kaperbrieven uit. De Spanjaarden lieten in 1583 zelfs een vloot van tien oorlogsschepen bouwen, die opereerde vanuit de thuisbasis Duinkerken. Daarnaast waren er ook particuliere kapers. Al na enkele jaren waren er zo'n 25 Duinkerkse kaperschepen actief. Zowel koopvaarders als vissersschepen waren de prooien. Bij de koopvaarders ging het om de lading, terwijl bij de vissersschepen de buit uit de bemanningsleden zelf bestond. De bemanning werd gedwongen dienst te nemen op de kaperschepen of kaalgeschoren en naar de galeien gestuurd. Sommigen werden na het betalen van een losgeld vrijgelaten.

Kapers roofden meestal bruikbare zaken als zeilen, viswant, kabels en proviand en lieten het schip met de lading op zee achter. Een of meer opvarenden werden aan boord van het kaperschip gebracht om met hun leven borg te staan voor het tijdig betalen van het overeengekomen losgeld. Het schip zelf was vrijwel onverkoopbaar: de markt voor schepen was door de kaapvaart in een mum van tijd verzadigd. Er waren jaren dat de buitgemaakte schepen als brandhout verkocht moesten worden.

De Staten-Generaal wilde met harde maatregelen de Duinkerker kapers de wind uit de zeilen nemen. Op 28 augustus 1587 werd het besluit bekendgemaakt dat alle opvarenden van de Vlaamse kapervloot als zeerovers beschouwd moesten worden. De kapiteins van de Nederlandse oorlogsschepen kregen opdracht elke kaper zonder pardon overboord te gooien: `het recht van voetspoeling'. De Staten-Generaal hoopten met dit besluit de bemanningsleden schrik aan te jagen en te voorkomen dat brodeloos geworden Nederlandse zeelieden dienst namen bij de vijand.

Naar het zich laat aanzien werd deze maatregel in de praktijk ook daadwerkelijk toegepast. Kapiteins die de kapers aan wal brachten redden daarmee hun levens overigens niet. Gevangen kapers werden in de haven van aankomst verhoord. Het antwoord van de Staten-Generaal op de vraag van de admiraliteitscolleges wat er met de gevangenen moest gebeuren luidde steevast: executie `metter coorde'.

Het beoogde effect van het voetspoelen bleef uit. Slechts in één jaar – in 1590 – slaagde de Vlaamse admiraliteit er niet in haar schepen voldoende te bemannen omdat de bemanningsleden uit angst voor executies in de Republiek wegbleven. In dat jaar werden landlopers, bedelaars en vagebonden opgepakt en naar zee gestuurd. Talloze gevangenen konden toen kiezen uit: dienst nemen op een kaperschip of worden opgehangen.

Het enige tastbare gevolg van het zero tolerance-beleid was dat de Duinkerker kapers het aloude principe `oog om oog, tand om tand' toepasten. Ook zij kregen van hogerhand opdracht om geen mededogen te hebben met gevangen zeelieden en vissers. Hoe zij daarbij te werk gingen blijkt uit een passage die de geschiedschrijver Emanuel van Meteren in 1663 noteerde: `Deze Duynkercksche schepen namen veel visschers, eenighe verbranden sy, andere soncken se, ende de arme visschers naghelden sy onder in de schepen, boorden gaten in de schepen, en lieten se allenskens sincken.'

Minder bekend is dat de ook Zeeuwen verbeten kaapvaarders waren. Alleen al tijdens de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) enterden de Zeeuwse kaapvaarders 1.759 schepen, wat goed was voor een bruto-opbrengst van 23 miljoen gulden. De kaapvaart als legale activiteit verdween in Nederland pas in 1810, toen de laatste kaperbrief werd uitgegeven.

A.P. van Vliet, Vissers en kapers. De zeevisserij vanuit het Maasmondgebied en de Duinkerker kapers (ca. 1580-1648). 's-Gravenhage, 1994.