Zandkorrel

Ik kreeg een brochure toegestuurd over twee vreemde en boeiende schrijvers: Harry Mulisch en de metabletica van J.H. van den Berg. De auteur liet zijn naam er niet in afdrukken, dus misschien wil hij anoniem blijven.

Een gebrek aan ijdelheid dat ik niet deel. Nee, ik moet bekennen dat ik flink trots was toen ik er las dat het boek Siegfried zijn ontstaan zou danken aan een column die ik vijf jaar geleden schreef. Niet omdat Mulisch er iets zou hebben gelezen dat hij nog niet wist, maar omdat de column oude denkbeelden van hem zou hebben `geactualiseerd'. Een hele eer, maar wat bedoelde de schrijver van die brochure in hemelsnaam?

Ik had geschreven over een oud denkbeeld van J.H. van den Berg, dat zegt dat de mens geen ingewanden heeft. Niemand heeft ze ooit gezien. Alleen na de dood, als het lijk wordt opengesneden, dan zijn ze er, maar dan zijn het geen ingewanden, het zijn uitgewanden geworden en het lijk is ook geen mens. De levende mens heeft geen ingewanden onder zijn huid, zelfs geen lucht, maar alleen het Niets, dat tot uitgewanden stolt als het lichaam opengaat.

In De Verteller verschijnt dit denkbeeld als karikatuur in een radiopraatje dat in het echt door een leerling van Van den Berg was gehouden. Het is ook een typisch Mulischiaans denkbeeld. Ik verbond het in de column met de onkenbaarheid van Mulisch. Je krijgt het idee dat hij niet echt bestaat, maar zichzelf met ieder boek opnieuw uitvindt. Misschien heeft hij inderdaad geen ingewanden, maar alleen uitgewanden, schreef ik.

Zoals algemeen bekend wordt Hitler in Siegfried beschreven als de verpersoonlijking van het Niets. Maar niet alleen hij. De figuur Rudolf Herter, die als twee druppels water op Mulisch lijkt, is met de jaren bijna doorzichtig geworden. Er wordt verteld dat hij geen maag meer heeft. Hij heeft dus letterlijk geen ingewanden en als lichaam nadert hij het Niets.

De naam Rudolf Herter zegt het al; het is frappant hoeveel hij en Adolf Hitler gemeen hebben. Ook Herter is in zekere zin ontmenselijkt, niet alleen fysiek. De mensen kijken bewonderend naar hem, als naar een kunstzinnig object. Hij spreekt als schrijver menigten toe, al zijn ze wat kleiner dan die van Hitler, en soms voelt hij zich dan als zijn evenbeeld bij Madame Tussaud. Vaak wordt er op gewezen dat niemand Herter echt kent, zelfs zijn vriendin niet. Net als Hitler, die in Siegfried onkenbaar is, omdat er Niets te kennen valt.

De verschillen tussen Hitler en Herter lijken de overeenkomsten te benadrukken. Ze houden allebei van honden, maar Hitler heeft nu juist een hekel aan het lievelingsdier van Mulisch, de teckel. Ze hebben beiden zoontjes die slimme filosofische opmerkingen maken, maar in tegenstelling tot Herter heeft Hitler daar weinig belangstelling voor. Hitler verveelt de mensen om hem heen door steeds hetzelfde te vertellen, maar Herter let goed op dat hij in Wenen iets anders zegt dan in Londen.

Als klap op de vuurpijl past Mulisch een typering die Rudy Kousbroek eens van hemzelf heeft gegeven nu op Hitler toe: een wandelend harnas met niets er in.

Als er naar gevraagd werd, hield Mulisch de suggestie dat hij met Hitler een zelfportret heeft getekend een beetje af, en terecht, want het uitdagende `Hitler, c'est moi' zou ongewenst volk aan de deur halen.

Zou het waar zijn wat die brochureschrijver denkt, dat mijn column tot Siegfried heeft geleid? Ik voel de trots van de zandkorrel die de oester een parel heeft ontlokt.