Het NIOD-rapport over de rol van politici

Het rapport Srebrenica, een `veilig' gebied van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, leidde het einde van het kabinet-Kok in. Wat schrijft het NIOD over het aandeel van de politiek aan de val van de moslimenclave?

,,Een mengeling van humanitaire bewogenheid en politieke ambities heeft de Nederlandse regering ertoe gebracht om in 1993 op eigen initiatief en zonder voorwaarden vooraf een Luchtmobiel Bataljon beschikbaar te stellen voor de UNPROFOR-missie in Bosnië.'

,,Minister Voorhoeve van Defensie [VVD], zelf in het begin van de jaren negentig ijveraar voor ingrijpen, moest al betrekkelijk kort na zijn aantreden in de zomer van 1994, vaststellen dat in Srebrenica sprake was van een onuitvoerbare missie.'

,,Minister-president Kok [PvdA] zette evenmin als zijn voorganger Lubbers [CDA] zwaar in op zijn regiefunctie in dit dossier. Hij was zeker betrokken bij de problemen, ook persoonlijk. Maar in de beleidsvorming- en uitvoering bleef hij nog meer dan Lubbers op de achtergrond.'

,,Minister Pronk [ontwikkelingssamenwerking, PvdA] sprak verontrust geraakt tijdens een bezoek aan Tuzla van 15 tot 17 juli, in een uitzending van Nova van 18 juli als eerste onverbloemd van genocide.'

,,`Srebrenica' bleef niet alleen met grote regelmaat de media beheersen, het bleef ook Defensie teisteren. De defensieorganisatie raakte er in een aantal opzichten vrijwel door verlamd. Voorhoeve slaagde er niet in deze patstelling te doorbreken.'

,,Toen in de zomer van 1998 met het nieuwe kabinet Kok II ook een nieuwe minister aantrad op Defensie, De Grave [VVD], dreigde deze nog in de eerste week van zijn ministerschap in een zelfde situatie te raken. (-) De integriteit van de defensieorganisatie stond zodanig ter discussie, dat krachtiger ingrijpen nodig was. Dat resulteerde in een onderzoeksopdracht aan een prestigieuze politicus en bestuurder, die niet meer in de frontlinie van de politiek stond, J.A. van Kemenade [commissaris van de koningin in Noord-Holland, PvdA] (-) Maar dat onderzoek stond niet in de eerste plaats in dienst van de zogenoemde waarheidsvinding. In wezen ging het in de opvatting van de opdrachtgever en van de onderzoeker om een bestuurlijke problematiek.'

Over de status van het eigen rapport schrijft het NIOD: ,,Het is met andere woorden een historische verhandeling en beoogt niet om politieke conclusies of oordelen te verschaffen. Dat laatste dient in de politieke en publieke arena te worden gedaan.'