Heerser

Mijn werktafel kijkt uit over een grasveldje, omringd door verwaarloosde rozen. Vroeger snoeide ik ze zelf, maar dat mocht niet van de gemeente (boze brief, preekje). Achteraf ben ik blij, want de struiken bieden rijke mogelijkheden voor de buurtkatten, mijn eigen kostbaar troeteldier inbegrepen.

Soms tel ik een dozijn katten, in alle kleuren, types en incarnaties. Jonge onstuimige boomklimmers, wijze moederpoezen, bangerds, inbrekers, enthousiaste kopjesgevers, rood, wit, grijs, cypers, zwartwit en alle mogelijke combinaties. Maar één karakter heerst over alle, één wil regeert het grasveld en de aanpalende hofjes en poorten. Wil en karakter behoren de kater Banjer, inwonend bij mijn buurvrouw.

Hij is een kolossale kater, gedacht in rood en wit. Om half acht gaat de bazin naar haar werk en Banjer begint zijn ronde. Hij betreedt zijn koninkrijk met de lome dreigende tred waarmee Clint Eastwood een saloon binnenkomt. Zijn horigen komen hem eer bewijzen, maar Banjer schenkt hun geen aandacht. Na alle grensposten overvloedig te hebben bewaterd, neemt hij positie in op zijn troon, een grote houten kist waarin een grondwaterpomp huist. Hij heeft het volle genot van de zon en ziet alles wat er gebeurt. Soms daalt hij af om een vreemde kater zijn plaats te wijzen, wat met bloedstollend gegil gepaard gaat. Hij wint altijd.

Dan zijn er de toeristen.

Meest oudere, witharige dames die op de NCRV stemmen, begeleid door een slecht ingelichte schreeuwlelijk. De meesten van die dames hebben thuis ook poezen en zij verdringen elkaar om Banjer te aaien. Maar Banjer is tot in het klokhuis van zijn ziel geblaseerd en kijkt, ten prooi aan de diepste verveling de andere kant uit. Wordt er naar zijn smaak te veel geknuffeld en geteemd, dan vallen er klappen, die leiden tot grote commotie onder de groep, en een overvloedig aanbod van zakdoekjes en pleisters.

Banjer gunt zijn slachtoffers zelfs geen blik. Het gepeupel komt en gaat, maar hij wandelt in heerlijkheid. Waar onder de zon is het schepsel dat hém kan deren? Onze Lieve Heer zelf zal zich twee keer bedenken alvorens Banjer te naderen.

Ik besefte dit al jaren. Maar in de afgelopen nazomer was ik metterdaad getuige van Banjers apotheosis, toen ik op een vroege zondagmorgen voor mijn raam zat.

Banjer zat op zijn kist, staart om de pootjes gevouwen, ogen toegeknepen tegen het licht. Nu komt de komiek op. Een rijk met goud beladen heerschap in een leren jack en met een Rottweiler aan de lijn: een kolossaal beest, zwart met bruin, dat opveert zodra hij de kat ziet.

Poesjes! roept de baas. Pak ze, Wodan! Hij klikt de ketting los en Wodan, zonder twijfel een ervaren kattenjager, sprint met grote snelheid op de kist af.

Banjer verroert geen vin, zijn ronde kop naar de zon gekeerd. Wodan zet zijn voorpoten op de kist; zijn muil gaat open en dan, op het allerlaatste moment, erkent Banjer zijn aanwezigheid. Banjer wenst die aanwezigheid niet. Het kost hem minder dan een seconde om een voorpoot uit te slaan en met zijn scheermesscherpe klauwen vier diepe kerven in de zachte hondenneus te scheuren, om onmiddellijk zijn houding van desinteresse te hernemen.

De arme Wodan gilt als een stoomfluit en verlaat het terrein in volle vaart, alle geroep en gevloek van zijn baas ten spijt. Hij wil maar één ding: zover mogelijk van Banjer vandaan. Ik hoor zijn gegil in de verte wegsterven, op weg naar Barcelona.

Wodans baas vloekt als een ketter. Die kankerkat! In de waan dat zijn spierballen hem kunnen helpen beent hij tierend naar de kist, de hondenriem in de vuist.

Hij beseft niet dat hij, met zijn hond en zijn kabaal, Banjer danig heeft geïrriteerd. Als hij dichtbij is, verheft de kat zich op de toppen van zijn tenen. De haren op rug en staart, komen overeind als een borstel. Hij keert de hondenman zijn flank toe, zijn kattenkop vertrekt tot een kwaadaardig masker, de rechterpoot komt omhoog en hij uit een gesis, zo giftig en dreigend, dat de hondenman stopt waar hij staat.

Een wijs besluit. Niets rest de eens zo kranige gewichtheffer dan een stille aftocht. Bij de uitgang tegen de vuilniszakken schoppen is al wat hij kan. Banjer is hem al lang vergeten. Niet van belang. Soms moet de lagere standen hun plaats gewezen worden. Fluitje van een cent.

Een paar maanden terug verhuisde zijn bazin en Banjer verhuisde mee. Deze week ontmoette ik haar bij toeval en vroeg naar hem.

Ik kon gerust zijn. Hij had zich een nieuw koninkrijk gevormd, zeven achtertuinen beslaand en met bruut geweld uitgehouwen in het graniet van de geschiedenis. The world shall hear from him again.