Crisis

De ramp van Srebrenica is in de boezem van het kabinet afgehandeld. Premier Kok is er afgelopen dagen niet in geslaagd zijn tweede kabinet tot het openbare debat volgende week in de Tweede Kamer bijeen te houden en heeft vandaag de strijd dus maar gestaakt. Bijna zeven jaar na de val van de enclave-Srebrenica is nu ook het kabinet aan het vallen.

Gelet op de omvang van de ramp die zich in Srebrenica heeft afgespeeld, zou er reden zijn zo'n stap toe te juichen. De ontluistering van de vredesmacht in Bosnië en de afwikkeling daarvan door de Nederlandse regering verdienen een serieuze reflectie van alle betrokken partijen die op een of andere manier niet hebben kunnen voorkomen dat er in juli 1995 zevenduizend mannen werden vermoord. Het gaat daarbij niet om directe schuld voor de slachtpartij in Joegoslavië – die ligt bij de Bosnisch-Servische generaal Mladic en zijn manschappen – maar om de politieke verantwoordelijkheid in Nederland. En die is wijd verspreid. De kabinetten Lubbers III, Kok I en Kok II, het parlement en het leger: allemaal zijn ze op een of andere manier aanspreekbaar voor het ,,doormodderen'' van de vredesmacht in voormalig Joegoslavië, zoals het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) het vorige week heeft getypeerd in zijn onderzoeksrapport Srebrenica: een `veilige' haven.

Daarover moet rekenschap worden afgelegd. Ook in Nederland zelf hebben zich de afgelopen tien jaar rampen voltrokken. Maar Srebrenica is van een andere orde. Juist daarom zouden alle partijen hebben moeten ijveren voor strikte openbaarheid. De intenties om in 1993 mee te doen aan de VN-vredesmacht waren verheven en werden in brede kring (van politiek tot media) gedragen. Het resultaat bleek twee jaar later omgekeerd evenredig aan het doel. Dat noopt tot een politieke catharsis. Die maakt natuurlijk niet ongedaan wat reeds is geschied, maar zou er wel toe hebben kunnen leiden dat de meeste betrokkenen elkaar, naar een woord van premier Kok, ,,recht in de ogen'' konden kijken.

De plaats daarvoor was de Tweede Kamer geweest. Het kabinet had het debat met de volksvertegenwoordiging kunnen ingaan met een minimum aan politisering en een maximum aan openhartigheid.

Het heeft niet zo mogen zijn. De catharsis heeft zich in de beslotenheid van de Trêveszaal en de semi-openbaarheid van de camera's en microfoons bij de voordeuren aan het Binnenhof voltrokken. Het is dus vooral een ontlading geworden, met een enge politieke betekenis. De aanleiding daarvoor ligt bij minister Pronk van VROM en, in iets mindere mate, bij diens collega De Grave van Defensie.

Pronk had afgelopen acht jaar drie keer een fundamentele politieke beslissing kunnen nemen: in 1995, toen hij alarm sloeg over de genocide in Srebrenica en wist dat de ,,lotsverbondenheid'' in zijn ogen onvoldoende werd bevochten, in 1998, toen hij zich liet beëdigen als minister in het tweede paarse kabinet, en vorige week woensdag, toen hij met eigen ogen zag dat het NIOD minder verstrekkende conclusies trok dan hij had gewild. Pronk besloot echter om het nog één keer te proberen in de ministerraad zelf en maakte daarvan geen geheim. Aldus doorbrak hij willens en wetens de eenheid van de regering. De Grave opereerde iets ingetogener. Maar het effect van zijn flirten met aftreden was vergelijkbaar. Intussen bleek premier Kok niet in staat zijn eigen spoor te trekken. De paniekerige wijze waarop hij gisteren zijn partijgenoot Pronk ontbood, sprak boekdelen over zijn leiderschap in de crisis die hij zelf ook als ,,zwarte bladzijde'' heeft gekwalificeerd. Dat roept de vraag op of het kabinet zich niet meer heeft laten leiden door angst te worden beschuldigd van `sorry-democratie' dan door de zaak zelf.

Het ging vanochtend hoe dan ook alleen nog om de staatsrechtelijke modaliteiten van het voortijdige vertrek van de ministers. Die zijn uiteraard van belang. Politiek bestaat het tweede paarse kabinet immers niet meer. Belangrijker is echter dat de bespreking van het NIOD-rapport volgende week in de Tweede Kamer niet uitdraait op een campagnedebat, maar op besluitvorming die de verkiezingen van 15 mei overstijgt. Nu er geen weg terug meer is, rest regering en volksvertegenwoordiging maar één ding: een parlementaire enquête waarin de betrokkenen onder ede kunnen worden gehoord. Want uiteindelijk mag het niet alleen gaan om het gemoed van enkele ministers, maar moet aan de orde komen waar het sinds juli 1995 om gaat: Srebrenica.