Arme Joris, niet arme Jan

Wat was de belangrijkste overweging van de toenmalige minister Voorhoeve om na het Srebrenica-debacle in juli 1995 niet af te treden? Die overweging was dat hij vreesde dat de rest van de wereld zijn aftreden als een soort Nederlandse schuldbekentenis zou hebben gezien. Voorhoeve, toen minister van Defensie, nu lid van de Raad van State, heeft dat destijds herhaaldelijk genoemd als motief voor zijn aanblijven. Het eerste paarse kabinet, inclusief minister Pronk, en een meerderheid van de in 1994 gekozen Tweede Kamer waren het kennelijk met hem eens, wat inhield dat de minister het vertrouwen van zijn collega's en nog belangrijker dat van de volksvertegenwoordiging behield.

De keuze die de VVD'er Voorhoeve destijds maakte, en de steun die hij daarvoor in de Kamer kreeg, is indertijd her en der gekritiseerd. Menig criticus bracht in herinnering dat de politieke leider van de VVD, Bolkestein, niet zó lang voor het drama van Srebrenica had gepleit voor de `Carrington-doctrine', zo genoemd naar de Britse minister van Buitenlandse Zaken en diens streng-zuivere opvatting over de betekenis van de ministeriële verantwoordelijkheid. Wat mij betreft was die kritiek op Voorhoeves aanblijven correct en had zijn politieke verantwoordelijkheid (ook voor de gevolgen van het beleid van zijn voorganger, de PvdA'er Ter Beek) zwaarder moeten wegen dan de vraag of het buitenland in zijn aftreden een bekentenis van Nederlands falen zou hebben gezien.

Rondom die Carrington-doctrine is het sindsdien niet alleen stil geworden, er is zelfs met instemming van een Kamermeerderheid een eigenaardige notie voor in de plaats gekomen. De notie namelijk, als verwoord door minister De Vries in een debat over de vuurwerkramp in Enschede, dat je meer hebt aan ministers die aanblijven en meehelpen om gesignaleerde fouten te verbeteren dan aan ministers die in zo'n geval hun hoed pakken. Dat klonk als: de ministeriële verantwoordelijkheid is er het beste mee gediend als ministers fouten toegeven en vervolgens dienstbaar aanblijven. Dat is een mooi uitgangspunt voor een notariskantoor in Hoensbroek of Schoonhoven, maar is het in een politieke democratie niet een onding? Wie hier iets korter door de bocht wil, spreekt van een `sorry-democratie', die in paarse jaren trouwens een zekere bestendigheid kreeg.

Het NIOD-rapport gaf Voorhoeve c.s. vorige week in zoverre gelijk dat het zeven jaar na dato concludeerde dat `Srebrenica' op zichzelf inderdaad maar zeer ten dele te wijten was aan Nederlands falen. Zoals het concludeerde dat de soldaten van Dutchbat in het algemeen geen plaats in de beklaagdenbank verdienen. Overigens schetst het rapport vooral feiten en achtergronden die in veel gevallen al geheel of gedeeltelijk bekend waren, wat niet als een verwijt moet gelden, maar wat de snel oplopende commotie sinds de publicatie van het rapport toch een merkwaardig aspect geeft. Tussenvraag: hoeveel Nederlanders, inclusief politici en journalisten, zouden afgelopen weekeinde die duizenden pagina's al hebben gelezen? Tweede tussenvraag: wankelt het tweede kabinet-Kok voorshands nog vooral op basis van een samenvatting? En: had Pronk dit keer niet een heel bijzondere gidsfunctie door zijn mening (,,we hebben gefaald, de politiek heeft gefaald'') al te geven vóór het NIOD-rapport verschenen was? Het is ook nooit goed, klaagde hij voor de tv, als ik voor mijn beurt spreek niet en als ik `nog geen commentaar' zeg ook niet. Arme man, die Jan, het zal je politieke darling maar wezen.

Wat een ironische speling van het lot trouwens dat niet hij, hoewel door het tweede kabinet-Kok gekandideerd, de leiding van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR kreeg maar Lubbers, de CDA'er die in 1993 premier was toen regering en Tweede Kamer met de allerbeste bedoelingen, maar helaas nogal plompverloren en hartelijk aangemoedigd door Buitenlandse Zaken, tot de uitzending van Dutchbat besloten. Zoals de minister van Defensie toen niet Voorhoeve maar Ter Beek heette, die steeds innig gearmd met de PvdA-fractie de bedenkingen van sommige topmilitairen wegzwaaide. Meer nog, de ironie blijft, Voorhoeve was in feite bij zijn aantreden al sceptisch over het Nederlandse Balkan-avontuur. Nog een tussenvraag: zou hij vóór `Srebrenica', en nadat zijn pogingen waren mislukt om vervanging of meer internationale garanties en rugdekking voor Dutchbat te krijgen, hebben overwogen om af te treden? Maar zou hij dan niet met terugwerkende kracht een besluit van het voorafgaande kabinet en een Kamermeerderheid als onwijs hebben gekwalificeerd en Dutchbat in de rug zijn aangevallen? Een gruwelijk dilemma moet dat in 1994/'95 voor hem zijn geweest. In Den Haag zeggen ze: as is verbrande turf, maar wie in het Srebrenica-dossier echt naar een arme man zoekt mag de naam Joris Voorhoeve noteren.

Opzettelijk feiten voor de minister achterhouden of manipuleren, zoals volgens het NIOD-onderzoek is gebeurd, is ontoelaatbaar. Leden van de landmachttop die zich aan die doodzonde schuldig hebben gemaakt moeten worden gestraft, zonodig met ontslag. Maar bij dit abc'tje is een kanttekening te maken. Bijvoorbeeld dat de krijgsmacht, zeker de landmacht, sinds de vroege jaren negentig aan het Binnenhof zóveel voor de kiezen heeft gehad dat de afstand tot `de politiek' op Defensie even sterk groeide als de stemming er verslechterde. Ter Beek vertaalde het einde van de Koude Oorlog, een nieuw accent op crisisbeheersing en de invoering van een vrijwilligersleger in een zogenoemde Contourennota, waarvan gezegd kon worden dat zij budgettair minimalistisch maar qua ambities maximalistisch was. Dat belette de Tweede Kamer niet om in latere, economisch voorspoedige, jaren budgettair verder te snoeien, maar het ambitieniveau te handhaven of zelfs te verhogen. In 1998 kwam er, zonder voorafgaande analyse, een nieuwe zware bezuinigingsverplichting (anderhalf miljard gulden tot 2003) uit de formatietombola rollen. En een minister De Grave die die eis niet als een probleem zag maar als mogelijkheid om op Defensie, op weg naar een nog mooiere politieke toekomst elders, zijn naam als rekenmeester te (be)vestigen. Regering en parlement bepalen het defensiebeleid. Daarvoor is loyale militaire medewerking nodig. Wie de geschiedenis van de afgelopen tien jaar overziet, mag zich afvragen of regering en Tweede Kamer soms niet meer hadden kunnen doen om die loyaliteit te bevorderen.

Antwoord: ja.