Anti-Amerikanisme komt als boemerang terug

Het zijn verwarrende tijden, constateert Alain Touraine op 3 april in NRC Handelsblad. Zo verwarrend dat de grote Franse socioloog zelf het spoor bijster raakt. In een warrig opiniestuk haalt hij fel uit naar de Verenigde Staten en pleit hij ervoor dat we ons vooral moeten richten op de ,,interne problemen van de samenlevingen in Europa''.

Al met de beginvraag gaat het mis: ,,Zal Europa kiezen voor een nauwe band met de VS of voor de opbouw van Europa?'' Wat wordt hiermee bedoeld? Is de transatlantische samenwerking een sta-in-de-weg voor de Europese integratie? Kan Europa alleen succesvol worden opgebouwd wanneer het zich van de VS afwendt?

De tweede vraag is al niet veel beter. Hier moeten we kiezen tussen Berlusconi, die prioriteit geeft aan het redden van `de westerse wereld', en het beschermen van het `Europees sociaal model'. De vraag is echter of het Europees model een lang leven beschoren is, wanneer we niet bereid zijn de `westerse wereld' te beschermen. Bovendien getuigt dit laatste niet per definitie van rechts-extremistische sympathieën. Ook fatsoenlijke politici zien in `het westen' een politieke en maatschappelijke ordening die bescherming verdient.

Het anti-Amerikanisme dat Touraine op extreme wijze uitdraagt, verspreidt zich snel over het Europese continent. Het grote slachtoffer van 11 september krijgt in rap tempo weer het oude stempel opgedrukt van rol van boosdoener en aanstichter van geweld door zijn ,,onmiskenbaar oorlogszuchtige politiek'' (Touraine). De solidariteitsbetuigingen zijn verstomd en weinigen spreken nog de historische woorden `wij allen zijn Amerikanen' uit. Het besef dat de VS een land in oorlog zijn, wil in de Europese publieke opinie maar niet doordringen, evenmin als de `impact' die de aanslag op de Amerikaanse samenleving heeft gehad. Het gemak waarmee de Europeanen voorbijgaan aan wat de VS hebben meegemaakt is opmerkelijk. Het `mede-lijden' van september is al na een paar maanden omgeslagen in irritatie.

In Europa is 11 september goeddeels verleden tijd. Wij zijn overgegaan tot de orde van de dag. Het gevoel van veiligheid is niet echt aangetast en de vakantievluchten zijn alweer volgeboekt. De Europese verontwaardiging heeft alweer nieuwe uitlaatkleppen gevonden, en richt zich nu even op Ariel Sharon. Lastige vragen over de relatie tussen terrorisme en de verspreiding van massavernietigingswapens en wat dat betekent voor onze veiligheid in de toekomst worden nauwelijks gesteld, laat staan bediscussieerd. Antwoorden op vragen over de Europese politiek ten aanzien van Noord-Korea, Irak, Iran en het Midden-Oosten worden ontweken. Deze afzijdige politiek legt Europa geen windeieren. Allereerst dwingt ze niet tot het drastisch verhogen van defensiebudget. Dit laten we graag aan de VS over, waarbij uiteraard kritiek geleverd wordt op het Amerikaanse militarisme, maar waarop toch alle ogen zijn gericht als er daadwerkelijk ingegrepen moet worden. Het betekent ook: weinig vuile handen en dus weinig vijanden maken. Het geeft Europa de mogelijkheid een politiek te voeren, waarbij iedereen zo veel mogelijk te vriend wordt gehouden. Hierdoor concentreren de aandacht en haat zich vooral op de VS, die daardoor ook weer een groter risico lopen dat toekomstige aanslagen op Amerikaanse doelen gericht zijn. En ten slotte geeft de `civiele' politiek de mogelijkheid het morele wijsvingertje in de richting van het Amerikaanse macho-militarisme op te steken. Militaire onmacht staat voor morele superioriteit.

Europeanen storen zich aan vrijwel alles van de Amerikaanse politiek, aan de cowboyretoriek van Bush, aan het unilateralisme (Kyoto, Internationaal Strafhof, kernproeven), aan de Midden-Oostenpolitiek, en vooral aan het feit dat de VS er blijk van geven dat de Europese landen er welbeschouwd weinig toe doen. Dat steekt – en dat vindt zijn weerslag in de reactie van Europese politici. Deze wordt de laatste tijd steeds scherper van toon. Amerika is simplistisch en Europa wil niet langer als een satelliet of vazal worden beschouwd. Europa wil serieus worden genomen en een volwaardige gesprekspartner zijn – maar uiteraard het liefst zonder daar al te veel consequenties aan hoeven te verbinden.

Kritiek is er niet alleen op de nieuwe rol die de VS zich in de wereldpolitiek hebben aangemeten. De VS wordt ook verweten verdeeldheid in Europa te zaaien en daarmee de moeizame totstandgekomen aanzetten tot een gemeenschappelijke Europese politiek bruut te verstoren. Door alle landen voor het blok te zetten, wordt een Europees antwoord onmogelijk. Ook bij Touraine keert deze Amerikaanse schuld aan het Europese onvermogen om vorm te geven aan een gemeenschappelijke politiek terug. Vandaar dat hij denkt dat er gekozen moet worden tussen Europese integratie of transatlantische samenwerking.

Hiermee wordt wel heel eenvoudig het Europese onvermogen gemaskeerd door te wijzen op de funeste werking die uitgaat van het Amerikaanse streven naar hegemonie. De onevenwichtigheid in de transatlantische betrekkingen is niet dat er te veel Amerika is, maar te weinig Europa.

Maar de VS zijn niet alleen oorzaak van Europese verdeeldheid. De kritiek op de VS schept ook een band. Zo zwaar het de politieke leiders in Europa valt overeenstemming te vinden in de te voeren buitenlandse politiek en het veiligheidsbeleid, zo gemakkelijk wordt men het eens over een gemeenschappelijke kritiek op de Amerikaanse politiek, bijvoorbeeld wat betreft de behandeling van krijgsgevangenen – het eerste EU-standpunt in de Afghanistan-oorlog.

Ook in menige omschrijving van Europa als waardengemeenschap staan de VS model voor wat Europa niet wil zijn. Europa staat voor civiele buitenlandse politiek, voor een sociale markteconomie en het afwijzen van de doodstraf. Als de impuls voor Europese eenwording echter bestaat uit de manier waarop wij ons definiëren in termen van wat we niet zijn – Amerikanen – dan is dat toch wel een testimonium paupertatis en een bankroetverklaring voor het Europese ideaal. Bovendien wordt Europa zo juist, geheel tegen de wens van Touraine, afhankelijk van de VS. Dit anti-Amerikanisme komt uiteindelijk als een boemerang terug.

Prof. dr. Ton Nijhuis is wetenschappelijk directeur van het Duitsland Instituut te Amsterdam.