Tergend lang wachten bij Dood Paard

In Becketts Wachten op Godot (1953) staat een van de mooiste refreinen uit de naoorlogse toneelliteratuur: ,,We moeten gaan. Nee, dat kan niet. Waarom niet? We wachten op Godot. Oh ja.'' De twee zwervers die deze aldoor weer prachtige dialoog vertolken, Vladimir en Estragon, vinden elkaar in een even nutteloos als gemeenschappelijk doel: het wachten op de onbekende Godot, die maar nooit komt, ondanks alle beloftes. De zwervers berusten en veren op, berusten wederom, en krijgen dan weer nieuwe hoop. Zelfs een pril boomblaadje doet hun verwachting opleven. Deze Godot nu betrekt hen in een gruwelijk machtsspel, zonder dat de landlopers het beseffen.

Toneelgezelschap Dood Paard speelt dit onvervreemdbare stuk uit het hedendaagse toneelrepertoire. Van de zandvlakte is een abstract moeras gemaakt, de achterwand is van doorschijnend zwart gaas en, mooiste ingreep, de beroemde kale boom is een tv-antenne. Telkens maken de spelers een wankele stapel van houten stoelen. Vanzelfsprekend laten ze die stukken hout met geraas op de grond vallen om daarna met hun Sisyphus-arbeid verder te gaan. Voorts zijn in het toneelbeeld de klassieke ingrediënten behouden. Het podium is, zoals door Beckett voorgeschreven, kaal; de zwervers dragen een bolhoed en zijn in het zwart gekleed. Hun afgetrapte schoenen zijn hippe sportschoenen geworden. En het bizarre duo Pozzo en Lucky, de meester en slaaf, zijn herkenbaar aan het touw om Lucky's nek, de karrevracht bagage die hij draagt en vooral de wellustige machtsuitoefening die de meester botviert op Lucky, de erg leuke, dit keer Vlaamse, dienaar.

Toch breekt Dood Paard op enkele wezenlijke punten met de Godot-traditie, en dat maakt de kracht van de voorstelling uit. De laatste seizoenen werd Beckett steeds melancholieker gespeeld in Nederland. Wachten op Godot veranderde geleidelijk in een elegisch gedicht. Dood Paard treft met acteurs als Oscar van Woensel, Kuno Bakker en Gillis Biesheuvel een toon die mooi noch melancholiek is, maar eerder bot, soms mateloos drenzend, dan weer komt er werveling en vaart in het spel. De acteurs laten je de kwelling van het wachten ondergaan door in hun dictie weinig variatie aan te brengen. Het is of Vladimir en Estragon maar wat met elkaar aan het kissebissen zijn. En daarbij gaat de bolhoed op, de bolhoed af.

Dood Paard maakt van dat wachten dan ook niet, zoals in traditioneler uitvoeringen, een zwaarwegend, universeel en symbolisch wachten. Zij verbeelden de ergernis van het dagelijkse wachten. In de rij voor het loket of thuis op de krant, waarvan de bezorging met spanning wordt afgewacht.

De acteurs van Dood Paard munten uit in anti-acteren. Ze nemen de tijd, laten pauzes vallen, spelen in een mengeling van flegma en humor, quasi-ernst en diepzinnigheid. Kuno Bakker, als Estragon, kan meesterlijk zijn pupillen wegdraaien zodat je dode ogen ziet. Vladimir, gespeeld door Oscar van Woensel, tracht elke keer weer te geloven in hoop, maar uiteindelijk moet hij inzien dat hij staart naar een blinde muur.

Het bijwonen van een voorstelling als Wachten op Godot is aldoor een verwarrende ervaring; dat was bij de allereerste opvoering - in Nederland in 1955 - en het geldt nog steeds. Meer dan twee uur kijkt en luistert de toeschouwer naar een betrekkelijk actieloos drama, waarin een vergeefs doel wordt nagestreefd. Aan het slot is niemand een stap verder gekomen. Misschien alleen de toeschouwer, die heeft ervaren hoe kwellend en tergend wachten kan zijn. Dood Paard beheerst die kunst van het tergen feilloos.

Voorstelling: Wachten op Godot door Dood Paard. Vertaling: Jacoba van Velde. Gezien: 12/4 Theater Frascati, Amsterdam. Tournee t/m 12/6. Inl. 020-423 4004 of www.doodpaard.nl