Optreden of aftreden

Zeven jaar lang hebben opeenvolgende ministers en generaals het hoofd tergend koel willen houden. Volgens toenmalig minister Voorhoeve van Defensie dreigde bij de val van Srebrenica in 1995 een ,,ramp''. Maar toen die ramp zich inderdaad had voltrokken, concentreerden de politieke én militaire leiders zich op de ,,bestuurlijke'' afwikkeling. Een open wond in de recente Nederlandse geschiedenis kon mede daardoor blijven etteren.

De publicatie van het onderzoek Srebrenica: een `veilig' gebied van het Nederlandse Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) heeft de stemming diametraal omgedraaid. Binnen 48 uur na de presentatie van het rapport lijkt de vraag vooral wie er als eerste aftreedt en welke consequenties dat heeft voor de politieke verhoudingen. De kurk is van de fles. Alles barst nu open.

Twee bewindslieden spelen in deze emotionele meningsvorming een cruciale rol: minister-president Kok en minister De Grave van Defensie. De derde, minister Pronk, is vooralsnog niet veel meer dan een voetzoeker.

De positie van Kok is breed. Als enige bewindsman heeft hij Srebrenica van begin tot einde meegemaakt. Kok was vice-premier in het derde kabinet-Lubbers dat Dutchbat uitzond, hoewel de regering volgens het NIOD had kunnen weten dat de enclave om uiteenlopende redenen eigenlijk geen ,,veilig gebied'' kon worden. Kok bestrijdt die lezing, omdat er volgens hem in 1993 geen andere opties waren. Maar Kok was vervolgens wel premier van het kabinet dat geconfronteerd werd met de val van Srebrenica en de daarop volgende massamoord. Het NIOD is vooral hard over zijn rol in die laatste functie. Het is daarom voorstelbaar dat Kok nu bij zichzelf te rade gaat en zint op een stap die recht doet aan zowel zijn politieke verantwoordelijkheid als zijn persoonlijke wroeging. Hij is immers de personificatie van dé politiek.

De motieven van De Grave zijn smaller. Krap een week in functie heeft hij in 1998 de fout gemaakt ex-minister Van Kemenade te vragen te onderzoeken of de legerleiding feiten in de `doofpot' wilde houden. Het razendsnelle antwoord dat er geen sprake was van een doofpot, kan geen stand houden. De landmacht was na de val van Srebrenica wel degelijk en ,,welbewust'' bezig ,,onwelgevallige onderwerpen'' uit het zicht te houden. Die conclusie van het NIOD plaatst minister De Grave voor een dilemma. Hij moet de landmacht weer in de houding zetten én hij moet zich afvragen of hij zelf geen fouten heeft gemaakt. Maar wel in die volgorde. Op dit moment is derhalve de vraag aan de orde of generaal Van Baal als bevelhebber van het leger is te handhaven. Het antwoord is nee. Daarna draait het inderdaad om de positie van de minister zelf. ,,Eerst optreden, dan aftreden'', zeggen zijn partijgenoten in de VVD terecht.

In alle gevallen dient het kabinet welke beslissing over zichzelf dan ook tijdens het debat van 25 april in de Tweede Kamer te nemen. Als het gaat om de eindverantwoordelijkheid moet het kabinet uiteraard in en tegenover de volksvertegenwoordiging rekenschap afleggen. Het parlement kan zichzelf bovendien niet wegstemmen. Maar dat laat onverlet dat nagenoeg alle fracties in de Kamer op een of andere manier betrokken zijn geweest bij de voor Srebrenica fatale keten uitzenden-handhaven-opgeven. Het is daarom van groot belang dat het politieke oordeel over het NIOD-rapport niet wordt geveld in de beslotenheid van de Trêveszaal, maar in de openbaarheid van de Staten-Generaal.