Museum

Deze koers is ten dode opgeschreven. En dat wil niemand horen, want ieder jaar opnieuw regeert de leugen. Maar niet zomaar een leugen. Een lieflijke fabel over oertijden vol tragiek en helden. Ik heb het natuurlijk over echte helden die allang niet meer bestaan. Dus niet van het soort dat zich suf calculeert en bij het eerste schot het hazenpad kiest met onder de arm zijn blauwe helm.

Nee, meer van dat uitgestorven ras dat in volle vaart uit de nevel en het gespetter opdook om het glibberige gevaar tegemoet te treden. Gereed om hun lijf tot op het trillende bot op de proef te stellen. Zwijgende mannen die het voor een habbekrats en een stuk droog brood deden met als achtergrond de diepe mijnen waaruit de geur van Zola's Germinal ontsnapte. Maar voorbij de leugen – en voor wie goed durft te kijken – ligt Parijs-Roubaix al een tijdje op de intensive care-afdeling. En zonder kunstmatig beademing zou de wielerkoers het niet gehaald hebben. In het tijdperk van zoab-snelwegen zijn kasseien een krankzinnige aberratie die op den duur zullen verdwijnen.

Gisteren hoorde ik een opgewonden Belgische tv-commentator in extase op het moment dat Johan Museeuw een van de laatste kasseienpadjes aandeed: dit strookje was nieuw! Althans, nieuw in de zin dat het voor het eerste in de koers was opgenomen. Ja, de directie had het strookje ontdekt en `naar boven gehaald'. Tegenwoordig zijn kasseien even zeldzaam als truffels en worden als oude begraven Romeinse amfora's ontdekt.

Het zegt heel wat over de overlevingskansen van deze koers. Het bos van Wallers-Arenberg met zijn helse strookje van 2.400 meter dat de Fransen la tranchée (de loopgraaf!) d'Arenberg noemen, wordt maar eens per jaar opengesteld, speciaal voor de koers. De rest van het jaar is het gesloten. De loopgraaf van Arenberg is in feite een soort museum en Parijs-Roubaix de enige wielerkoers ter wereld die dwars door een museum raast.

Maar Parijs-Roubaix zal ook sterven omdat het niet meer van deze tijd is. Twintig jaar geleden zei Bernard Hinault het al. Hij walgde van deze koers omdat het niets meer met het moderne cyclisme te maken had. En hoewel hij volstrekt gelijk had, vonden we zijn uitspraak schandelijk. Wij, de nostalgische liefhebbers, willen juist heel veel aangekoekte modder op de gezichten en de benen zien. We willen al die schouders en ruggen pijnlijk zien rillen en trillen. We hopen zoveel mogelijk glijpartijen te kunnen aanschouwen bij het eerstvolgende modderbad terwijl de commentaarstem liegt dat dit ,,praaaachtige beelden'' zijn. Rechtstreeks uit de hel gezonden.

Ach, de echte hel duurt langer dan zes uur en zit momenteel in Jenin of Netanya. En als we genoeg in dit vochtige en slecht verwarmde museum hebben rondgelopen, doen we onze breedbeeldtelevisie uit om te gaan surfen op het web met in de hand ons gloednieuw mobieltje. We zijn streng principieel in ons geloof in de moderniteit die we de stoempers van Parijs-Roubaix vrolijk ontzeggen. En dit terwijl dezelfde moderniteit het credo is van bijna alle sporten: bij atletiek zijn bijna alle sintelbanen door het soepele tartan vervangen, steeds meer stadions sluiten bij de eerste regendruppels hun dak en het is ondenkbaar een wereldrecord zonder klapschaatsen te rijden.

Laten we de waarheid in de ogen kijken. We gaan toch ook geen grind op de wegen van de Franse cols strooien om de situatie van begin vorige eeuw in de Tour na te botsen? En in diezelfde Tour zijn de etappes van vijfhonderd kilometer toch allang afgeschaft? Bestaat trouwens Bordeaux-Parijs nog? Vertrekken soms renners nog in het donker van de kleine uren achter een brommer om meer dan vierhonderd kilometer eenzaam af te leggen? Begrijp me niet verkeerd: ook ik vind Parijs-Roubaix fascinerend en ben er aan verslaafd geraakt. Maar illusies heb ik niet: ooit zullen de deuren van het museum voorgoed worden dichtgeslagen.