Hervorming Indonesisch leger vergt buitenlandse steun

In het kader van ontwikkelingssamenwerking is steun aan een leger taboe. Daarin moet verandering komen, vindt Cees Homan. Indonesië bijvoorbeeld zou baat hebben bij een beter functionerend leger.

Tot voor enkele jaren geleden besteedde de wereld van ontwikkelingssamenwerking geen aandacht aan de veiligheidssector (krijgsmacht, politie, inlichtingendiensten etc.) in ontwikkelingslanden. Dit in de veronderstelling dat uitgaven voor de opbouw van de veiligheidssector in hoofdzaak negatieve effecten hebben op ontwikkeling. Voortschrijdend inzicht heeft echter geleerd dat slecht beheer van de veiligheidssector juist een belangrijk obstakel vormt voor duurzame ontwikkeling en vredesopbouw.

De Adviesraad Internationale Vraagstukken merkte twee jaar geleden dan ook op: ,,In het kader van goed bestuur en goed beleid zou Nederland meer aandacht dienen te besteden aan het onder civiele en democratische controle brengen van de strijdkrachten en de politie en aan instrumenten om deze ontvankelijk te maken voor het afleggen van verantwoording.

Indonesië is een land waarop dit bij uitstek van toepassing is. Onder interim-president Habibie is immers in 1998 een hervormingsproces ingezet dat de Indonesische krijgsmacht moet omvormen tot een professionele organisatie onder democratische, civiele controle.

Tijdens de `Nieuwe Orde' onder Soeharto heeft de krijgsmacht zich grote politieke en economische macht weten te verwerven. Hoewel er in formele zin sprake was van democratie, maakten de militairen de dienst uit. Zij domineerden niet alleen de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht, maar vormden tevens een groot economisch machtsblok.

Sinds het eind van de jaren vijftig waren door nationalisatie vele bedrijven onder bewind van de krijgsmacht gekomen. De krijgsmacht beschouwde en beschouwt zich nog steeds als bewaker van de Revolutie met name van de staatsideologie (Pancasila) en de grondwet van 1945 en legitimeerde hiermee haar dubbelfunctie (dwifungsi).

Een van de obstakels op de weg naar een professionele krijgsmacht vormt het defensiebudget. Militaire commandanten zijn al sinds de Indonesische onafhankelijkheid genoodzaakt om via eigen bedrijven en stichtingen de troepen en de aankoop van wapens te bekostigen. In slechts 25 procent van het huidige defensiebudget wordt voorzien door de centrale overheid.

Gezien de huidige financiële situatie waarin het land verkeert, is verhoging van het defensiebudget uitgesloten en moet de regering de militairen toestaan hun commerciële activiteiten voorlopig voort te zetten. In elk geval is een grotere transparantie nodig van de inkomsten van de krijgsmacht die afkomstig zijn uit deze activiteiten.

De Indonesische regering is voor het handhaven van de interne veiligheid nog steeds afhankelijk van de krijgsmacht. Hoewel de politie sinds 1 juli 2000 geen deel meer uitmaakt van de strijdkrachten, is deze onvoldoende toegerust om de interne veiligheid te waarborgen. De strijdkrachten spelen dan ook een dominante rol in conflictgebieden als Atjeh, de Molukken en Papoea.

De krijgsmacht kent bovendien nog steeds een territoriale structuur met militaire eenheden die over het gehele land verspreid zijn. Deze territoriale structuur loopt min of meer als een schaduw parallel aan die van de civiele overheidsinstellingen. In feite betreft het hier een politieke organisatie van de krijgsmacht die zich uitstrekt vanaf Jakarta tot in de dorpen. Het territoriaal commando vormt vanouds de hoeksteen van de dwifungsi-doctrine, die officieel is verlaten, maar nog steeds het militaire denken beheerst.

De hervormingen die de krijgsmacht moet doorvoeren verlopen ook traag bij gebrek aan civiele controle. De enige expertise op het gebied van defensie in het parlement berust bij de militairen die deel uitmaken van de uit militairen en politie bestaande factie. De 38 leden hiervan worden niet gekozen maar door de hoogste militaire en politieautoriteiten benoemd.

Het buitenland is terughoudend in het verlenen van hulp aan de hervormingen van de Indonesische krijgsmacht. Dit vanwege de schending van mensenrechten door de strijdkrachten in provincies als Atjeh, de Molukken en Papoea en de voormalige provincie Oost-Timor.

Zonder buitenlandse assistentie lijken de vooruitzichten op een professionele krijgsmacht echter weinig rooskleurig. Aangezien de militairen die betrokken waren bij de schendingen van mensenrechten in Oost-Timor nu eindelijk berecht worden, overwegen de Verenigde Staten weer assistentie te verlenen bij de professionalisering van de Indonesische krijgsmacht. Buitenlandse ondersteuning van het militaire onderwijs en training en de opleiding van een civiel kader voor het ministerie van defensie is dan ook noodzakelijk.

Twee jaar geleden hebben de ministers Van Aartsen en De Grave tijdens bezoeken aan Indonesië hulp aangeboden bij de `transformatie' van de krijgsmacht. Vooralsnog is deze hulp vrij marginaal geweest. Onlangs volgde een aantal Indonesische officieren, parlementariërs en wetenschappers voor het eerst een door Buitenlandse Zaken gefinancierde drieweekse cursus over civiel-militaire betrekkingen en `good governance'. Daarnaast neemt geregeld een Indonesische officier deel aan de internationale Netherlands Defence Orientation Course bij het Instituut Defensie Leergangen.

Van de Nederlands-Indonesische werkgroep die minister De Grave twee jaar geleden instelde om met voorstellen te komen over militaire samenwerking gericht op de bevordering van de professionalisering van de Indonesische strijdkrachten, is echter nooit meer iets vernomen. Aangezien het hier onder meer eventuele ondersteuning van de Indonesische marine op het gebied van de bestrijding van piraterij betrof, is hier ook duidelijk sprake van een Nederlands belang.

Piraterij vormt immers een groot probleem in de voor de koopvaardij belangrijke wateren rondom Indonesië.

Zo'n 25 procent van de zeeroverij in de wereld speelt zich af in de wateren rondom dit land. Het moge duidelijk zijn dat een onbelemmerde vaart door de Indonesische wateren ook een Nederlands (handels) belang is.

Naar verluidt zijn het vooral de bezwaren van de Molukse gemeenschap in ons land die Nederlandse steun tegenhouden. Zolang de transformatie van de krijgsmacht in Indonesië echter aan de militairen zelf wordt overgelaten, civiele controle ontbreekt en het buitenland vrijwel geen ondersteuning verleent, valt weinig progressie te verwachten.

Generaal-majoor der mariniers C. Homan is verbonden aan het Instituut Clingendael.