Een elegante geweldenaar

Begeleid door een hartgrondige vloek smeet hij de krant naast zijn bed. Ze hadden er weer niets van begrepen, die journalisten. Hij trok de dekens over zich heen, keek met een woeste blik door het raam, greep naar een fles water die naast zijn bed stond, dronk er uit en nodigde me vriendelijk uit mijn eerste vraag te stellen. Waarom hij zo boos was? Omdat ze niet zien dat hij altijd op kop rijdt, altijd wil aanvallen, altijd wil strijden en dat anderen van zijn zweet profiteren.

Francesco Moser was meteen een man naar mijn hart. Die verbeten grimas op zijn gezicht sprak me aan, wanneer hij met donderende vaart over de uit graniet gehouwen blokken van de Hel van het Noorden fietste. Altijd ging hij voor in de strijd, nooit liet hij anderen werken. Zo won hij driemaal achterelkaar (1978, '79 en '80) Parijs-Roubaix, werd hij tweemaal tweede en tweemaal derde. Zo won hij de Ronde van Lombardije, Milaan-Sanremo, Parijs-Tours, Gent-Wevelgem, de Waalse Pijl, de Tirreno-Adriatico, de Ronde van Italië, het WK en nog veel meer.

Wat hem aan tactisch inzicht ontbrak, maakte hij goed met een zeldzaam vertoonde vechtlust. Checco was niet te stuiten wanneer hij wilde winnen. Wanneer hij niet won, hadden anderen van zijn werk geprofiteerd, zoals zijn eeuwige rivaal Roger de Vlaeminck in Parijs-Roubaix. Dat was wat Moser (spreek uit Mosèr) dwars zat wanneer hij in de Italiaanse kranten moest lezen dat hij had gefaald. Moser wilde waardering voor zijn werk.

Wanneer hij niet boos was, was Moser een charmante man. Hij was toegankelijk voor iedereen die hem een warm hart toedroeg. Een prachtmens die je van harte uitnodigde in zijn geboortedorp, hoog boven in de Dolomieten. Naar Palú di Giovo, waar zijn moeder Cecilia en zijn vader Ignazio twaalf kinderen grootbrachten. Dan kon hij je voorstellen aan zijn oudere broers Aldo, Enzo en Diego die ook wielrenners waren. En wie weet was Claudio er ook, zijn oudere broer die priester was. Moser, lang en elegant, was een geweldenaar.

Moser was geen klimmer, geen sprinter, geen tijdrijder – hij was alles. Op basis van zijn wilskracht kon hij alles. Zo won hij met zijn grote lijf weleens een bergetappe. Zo won hij massasprints en zo won hij veel tijdritten. Maar waarom hij in een sprint à deux de wereldtitel in 1978 aan Knetemann moest laten, is een vraag die nog door iedereen die het heeft gezien wordt gesteld. Was het onderschatting? Was het de slimheid van Knetemann? De Italianen begrepen er niets van dat een superieure kopman als Moser de wereldtitel verspeelde die hij een jaar eerder nog had gewonnen ten koste van de Duitser Thurau.

Hoe kwam het dat Moser op 33-jarige leeftijd, toen iedereen al meende dat zijn krachten waren gesloopt door het zware werk, het bijna twaalf jaar oude werelduurrecord van Eddy Merckx brak en nog eens brak? Moser reed in Mexico Stad eerst 50 kilometer en 808 meter en vervolgens nog eens 51 kilometer en 151 meter, waar Merckx in 1972 nog 49 kilometer en 432 meter overbrugde. Het waren sowieso de trainings-, voedings, en medicatiemethoden van professor Conconi en de technologische evolutie in de fietsindustrie die Moser tot nieuwe ongekende hoogten brachten – maar niet te vergeten zijn vechtlust.

Twee maanden na zijn succesvolle recordpogingen in Mexico won Moser nog eens Milaan-Sanremo en vijf maanden later de Ronde van Italië. De methode-Moser (lees Conconi) vond massale navolging in het peloton. Alle renners reden plots met een hartslagmeter, alle renners wilden zo trainen als Moser, alle renners wilden de medicatie van Moser. Francesco Moser heeft de wielersport beïnvloed. Hij wilde koste wat kost het beste uit zichzelf halen. Wie hem nu ziet als een man van vijftig, verbaast zich erover dat hij er na zoveel strijd nog zo goed uitziet.