De Grave kende feilen Van Kemenade

Minister De Grave (Defensie) is meteen na het verschijnen van het rapport van de commissie-Van Kemenade in 1998 gewezen op de onvolkomenheden ervan.

Dat blijkt uit interne stukken van het ministerie van Defensie. In een rapportage van 6 oktober 1998 aan de minister stelt de directie Voorlichting een groot aantal vragen over de werkwijze en inhoud van het rapport.

Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) velde vorige week een hard oordeel over het onderzoek van Van Kemenade naar vermeende doofpotpraktijken van de defensietop na de val van de Bosnische enclave Srebrenica in 1995.

Het rapport van de toenmalig commissaris van de koningin van Noord-Holland stond volgens het NIOD ,,niet in de eerste plaats (...) in dienst van de zogenoemde waarheidsvinding'', maar was vooral de oplossing van een ,,politiek-bestuurlijk probleem''.

Terwijl Van Kemenade concludeerde dat er geen sprake is geweest van het achterhouden van informatie, stelt het NIOD vast dat de top van de landmacht ,,welbewust een poging heeft ondernomen de informatiestroom beperkt te houden en waar mogelijk onwelgevallige onderwerpen uit de weg te gaan''.

De Grave, die kort na zijn aantreden in 1998 opdracht gaf tot het onderzoek van Van Kemenade, liet vorige week doorschemeren te denken aan aftreden wegens de conclusies van het NIOD. Uit de nota van 6 oktober 1998 blijkt dat De Grave al een week na het verschijnen van het rapport-Van Kemenade op de hoogte is gesteld van de kritiek van zijn eigen voorlichters.

Zo vraagt de directie Voorlichting zich af waarom ,,de heer Van Kemenade'' in zijn eindrapport niet vermeldt dat de door hem gehoorde ambtenaren en militairen ,,ook de mogelijkheid hadden vertrouwelijke mededelingen te doen'' en wil de directie weten waarom deze ,,niet in geanonimiseerde vorm aan het rapport zijn toegevoegd''. [Vervolg DE GRAVE: pagina 3]

DE GRAVE

Voorlichting : nota velt 'geen waardeoordeel'

[Vervolg van pagina 1] Het NIOD-rapport stelt ook vraagtekens bij de werkwijze van Van Kemenade. Zo is niet meer te achterhalen ,,waar en hoe'' vertrouwelijke mededelingen in het rapport zijn verwerkt, aangezien al het materiaal vóór het verschijnen van het rapport is vernietigd. Over de opmerkingen van Van Kemenade aan het begin van elk gesprek, dat hij vertrouwelijke informatie waarmee hij niets `kon', niet `wilde weten', vraagt het NIOD zich af ,,wat de consequenties zijn wanneer aan een onderzoek van waarheidsvinding dergelijke beperkingen worden opgelegd''.

In de nota voor de minister, ondertekend door directeur Voorlichting H. van den Heuvel, wordt gesteld dat het vreemd is dat Van Kemenade in zijn eindrapport niet ingaat op de vraag of toenmalig bevelhebber Couzy in 1995 heeft gepoogd een stafrechtelijk onderzoek naar het `lekken' door een kolonel van zijn eigen staf te ,,stoppen dan wel te belemmeren''. Het ging hierbij om een overeenkomst tussen generaal Mladic en UNPROFOR-commandant Smith. Dit hebben generaal Van Baal (destijds plaatsvervanger van Couzy), generaal Van den Breemen (Chef-Defensiestaf) en plaatsvervangend directeur B. Kreemers aan Van Kemenade gemeld.

In een reactie laat directeur voorlichting Van den Heuvel weten dat de nota ,,geen waardeoordeel'' over de kwaliteit van het rapport-Van Kemenade bevat. De aanmerkingen zijn ,,bestudeerd'' en onderwerp geweest van ,,intern beraad'', zegt hij.

portret van kemenade: pagina 2