Adembenemend

Je moet uit Nederland komen, of uit het kustgebied van Suriname, dat ook al zo plat is als een dubbeltje, om een berg te kunnen waarderen. Ik hou niet van natuur, laat ik dat vooropstellen. Ik geef niet om bloemen en bomen, rivieren en woestijnen, zelfs de zee kan mij niet bekoren.

Wat dieren betreft: alleen ezels heb ik lief. Een keer zag ik een kudde ezeltjes in het wild in de steppen van Gujarat, een van de weinige plaatsen waar ze in het wild voorkomen. Het was een enorme kudde, het waren er misschien maar 200, maar ze maakten een herrie voor duizend. Toen wou ik dat ik een fototoestel had, of beter, een videocamera. Maar zulke spullen heb ik nooit bij me.

De ezel heeft een volstrekt onbedoelde komische verschijning. Zoals het een goede komiek betaamt kan hij er zelf niet om lachen. En hij is absoluut ongehoorzaam. Mensen noemen dat koppigheid, maar het is eigenlijk karakter.

Misschien hou ik niet van de natuur omdat ik er niet over kan schrijven. Ik ben slecht in landschappen. Landschapsbeschrijvingen in romans sla ik over. Doe er dan een foto bij, denk ik dan, of een pentekening, maar ga niet eindeloos door met belachelijke adjectieven als `adembenemend', `schitterend', of `verbijsterend'.

Ik geef enkel om handeling en dialoog en alles waar de mens schuldig aan is. Tenzij de schrijver Graham Greene heet. Van hem wordt gezegd dat hij de enige is die een tropische sfeer kan neerzetten. Maar hij zette een sfeer neer, geen decor.

En nu ga ik toch proberen een natuurbeschrijving te geven. Ik kwam naar Katmandu, de hoofdstad van Nepal, om te proberen iets te begrijpen van de sociale toestanden alhier. Ik zag de heuvelruggen die de stad omringen en dacht: aardig. Er was zoveel meer te beleven in Katmandu. Officieel is er een noodtoestand wegens gevechten tussen het leger en de `maoïstische' rebellen in de bergen. Maar nergens in Azië zijn de mensen zo ontspannen en informeel, op het vrijpostige af, als in Katmandu.

Het begon al op de luchthaven, waar je een exorbitant bedrag voor een visum moet betalen. Zegt de man van de douane met een grijns: dat is om het toerisme te bevorderen.

Op straat zijn er soldaten, maar ze stralen niet echt veel dreiging uit. Het komt door hun nonchalante oogopslag, hun lichaamshouding misschien, of hun bereidheid om te glimlachen. Zo anders dan soldaten in India, Sri Lanka of Bangladesh, waar ze zo stoïcijns kijken als ezels, maar dan zonder het komische effect.

Van Katmandu werd mij verteld dat het een vervuilde, smerige stad is. Het is waar dat de scooterriksja's en bromfietsen kunnen zorgen voor een verstikkende walm op sommige kruispunten, maar Katmandu haalt bij lange na niet het kampioenschap vervuiling in het oosten. De mensen die Katmandu vuil vinden komen meestal voor het eerst in een derdewereldstad. Amateurs dus eigenlijk.

Het meest opvallende aan Katmandu, aan heel Nepal eigenlijk, is dat het nooit gekoloniseerd is geweest. Dat zie je aan de architectuur, die volkomen eigenzinnig is en radicaal afwijkt van de gebieden die eerst door moslims en daarna door Europeanen waren bezet. Je komt niets islamitisch of Victoriaans tegen in Katmandu. Wel de pagode-stijl, die chinees aandoet en toch niet chinees is. De gebouwen kunnen soms vervallen zijn, maar de daken, de raamkozijnen en de deuren zijn zo weelderig, dat je een camera bij je zou willen hebben.

Maar er is iets veel belangrijkers in dit land dan de architectuur of het geweld, en dat is wat ik even oneerbiedig de schoorsteen van de wereld noem. Je kunt er naartoe klimmen, zoals sommigen doen, wat vele tienduizenden dollars kost. En je kunt er naartoe vliegen, voor 99 dollar.

Je moet dan wel voor zonsopgang verschijnen op de luchthaven, waar je als een troep kinderen wordt verzameld om het leukste schoolreisje van je leven te maken. Wij kinderen zien er lullig uit: we zijn netjes gekleed en we dragen leren schoenen. De grote mensen daarentegen dragen van die lelijke dingen van stof en rubber aan hun voeten en loodzwaar uitziende rugzakken.

Dat zijn de klimmers, die neerkijken op de jubelende kinderen. Zij gaan voor het echte werk. Ze hebben enorme hoeveelheden proviand bij zich, eieren, meel, houdbare melk, waarmee ze in de bergen lekkere pannenkoeken gaan bakken.

Laten bakken, moet ik zeggen. Want de bergbeklimmers vliegen naar een basiskamp op vijfduizend meter, waar de Nepalese sherpa's, hun helpers, hun dragers, hun koks en bediendes naartoe zijn geklommen. Daar zullen ze zich mentaal voorbereiden op de ruwe en gevaarlijke tocht naar boven en als ze eenmaal op de top zijn, zullen ze in een Europese krant komen en hun land zal eeuwig trots op ze zijn.

De sherpa's, die komen niet in de krant. Ze doen het zwaarste werk, ze helpen de professionele klimmers overleven, ze ruimen ook hun troep op, want dat moet tegenwoordig. Maar de bergbeklimming is nog altijd als de ontdekkingsreis van weleer. Een Europeaan met twaalf donkere knechten die de witte plekken van de kaart opzoekt en er de vlag van zijn koning of koningin plant.

Alleen Europeanen kunnen ontdekken, dat begrijpt iedereen, zoals ook alleen Europeanen (en nu ook Japanners) kunnen klimmen, terwijl de Nepalese sherpa's op en neer rennen alsof het niets is.

Eindelijk mogen we ons vliegtuig in dat, om het kindvriendelijker te maken, beschilderd is met witte bergen tegen een blauwe achtergrond. Ze willen ons er echt aan herinneren dat dit maar een spel is. Point taken.

Dan stijg je op, gaat door de wolken en ziet ineens de Himalaya door je raampje. Een vriendelijke juf geeft uitleg: dat is de Langtang Lirung, 7.234 meter. De Gauri Shankar, 7.134 meter. En na een half uur zie je, op een bijna aanraakbare afstand, de almachtige Sagarmatha, die de Europeanen de Mount Everest hebben genoemd, 8.848 meter.

En nu moet ik natuurlijk vertellen hoe dat er uit ziet, deze mooiste top ter wereld met een wolkje als een rookpluim, waardoor het er echt uitziet als een schoorsteen. Ik moet de maagdelijkheid van de sneeuw beschrijven, de heftigheid van de vorm, de parmantigheid, de arrogantie zelfs in de verhouding tot de andere even almachtige toppen. Maar ik hou het maar bij adembenemend, schitterend en verbijsterend.

ramdas@nrc.nl