Zwevend Nederland

Nu Pim Fortuyn zichzelf in een moment van zelfbespiegeling heeft omschreven als een verschijnsel van voorbijgaande aard, is het verleidelijk te voorspellen met welke soundbites hij in de toekomst, nadat zijn partij en zijn boeken de vergetelheid in zijn gezeild, zal worden herinnerd. Misschien worden het zijn Engelse houzee-achtige uitroepen: At your service!, A hell of a job, of A bloody shame. Het zijn zinnetjes waarin Fortuyn de resonans van een Winston Churchill après la lettre probeert te leggen, maar die in werkelijkheid vooral doen denken aan de hilarische kretologie van `Daar komen de schutters', die onverslijtbare BBC-sitcom uit de jaren zeventig. De kandidatenlijst van de Lijst Fortuyn voor de Tweede-Kamerverkiezingen herinnert sowieso al sterk aan het vaste intro van die serie. In dat intro marcheert het overwegend hoogbejaarde stelletje ongeregeld van Britse reservisten onversaagd over een onbestemd stuk grasland: een bakker, een slager, een postbode, met als vreemde eend in de bijt een boomlang moederszoontje van eenentwintig.

Toch is de kans groot dat die stopzinnetjes van Fortuyn niet zullen beklijven. Daarvoor zijn ze te weinig origineel, zoals ook de meeste van zijn polemische staccato-zinnen dat niet waren toen hij nog columnist was van Elsevier. Alleen al de titel van zijn huidige bestseller (`De puinhopen van acht jaar paars') ontbreekt het aan een redelijke dosis polemische brille. Die puinhopen zijn te opzichtig ontleend aan het puin ruimen dat Hans Wiegel vijfentwintig jaar geleden uitentreuren in de mond nam in zijn oppositie tegen het kabinet-Den Uyl.

Nee, als Fortuyn ergens om zal worden herinnerd, dan is het vermoedelijk om de hoge vlucht die het zweven heeft genomen. Natuurlijk, de zwevende kiezer is zo oud als de parlementaire democratie. Maar toch: misschien is het vertekening of nostalgie, maar vroeger werd er stukken minder ingrijpend gezweefd. In de jaren zeventig verruilden kiezers ter linkerzijde hoogstens eens de PPR voor de PSP of vice versa. In 1977 verloor klein links een aantal zetels aan de PvdA. Eerder zag de PvdA een deel van haar aanhang wegzweven naar D66. Na de regeerperiode van het kabinet-Van Agt/Wiegel wisselde een enkeling onder het electoraat eens het CDA voor de VVD of andersom, maar die onvast geraakte kiezers veroorzaakten in de verste verte geen aardverschuiving. Maar of dat achteraf gezien nu echt zweven kan worden genoemd? In vergelijking met de komende aardverschuiving was dat eerder verzitten dan zweven. Al met al waren het, tot diep in de jaren tachtig, overzichtelijke tijden, vooral voor links.

Het kan geen toeval zijn dat met de opkomst van Leefbaar Nederland en de Lijst Fortuyn ook degenen die met een pistool op de slaap nog niet op een van beide partijen zal stemmen, onvast in het zadel zijn komen te zitten. In verbazingwekkend korte tijd is een politiek klimaat ontstaan waarin je bij wijze van spreken niet meer meetelt als je niét zweeft.

Opvallend is de behoefte onder met name linkse intellectuelen om kond te doen van hun nieuwe identiteit als zwevende kiezer. Alleen al de afgelopen week publiceerden drie van oudsher aan links gelieerde journalisten over hun coming out als zwevende kiezer. In deze krant bekende Elsbeth Etty zich tot de voorman van de partij die eens voor haar het nec plus ultra van al het binnenlandse kwaad moet zijn geweest: de VVD. Etty: ,,Als Hans Dijkstal zo doorgaat, dan dreigt er met mij persoonlijk iets ergs te gebeuren, ik mag wel zeggen, iets onvoorstelbaars. Mijn hele wezen verzet zich tegen stemmen op de VVD, maar Dijkstal brengt me ernstig in de verleiding.''

In dezelfde week deed Stephan Sanders in Vrij Nederland verslag van zijn bevindingen met www.stemwijzer.nl, de site bij uitstek voor de zwevende kiezer die dertig meerkeuzevragen nodig heeft om zijn gedachtegoed te toetsen aan de partijprogramma's. Sanders: ,,Het resultaat verraste mij onaangenaam. Ik kan niet anders concluderen dan dat ik een gevaar voor mijzelf geworden ben (..). Ik moet ongeveer tot de meest rechtse Nederlanders behoren: echt hardcore rechts.'' Bij Sanders luidde het stemadvies namelijk: Lijst Fortuyn, met als goede tweede en derde Leefbaar Nederland en VVD.

Ook HP/De Tijd publiceerde een persoonlijke getuigenis van een zweefvlucht à la Etty en Sanders. Onder de titel `Help, ik ben rechts geworden' schreef redacteur Thieu Vaessen een enerverend schotschrift waarin hij, onder veel meer, de regenteske mentaliteit van de PvdA ranselt. Met Vaessens essay zou Pim Fortuyn zijn voordeel kunnen doen, zozeer dampt het van de verbittering jegens links. Vaessens eindigt zijn schotschrift met de bekentenis: ,,Alleen kan ik het niet over mijn hart verkrijgen op de VVD of Pim Fortuyn te stemmen.''

Sanders en Vaessens zijn beiden afgezanten van de generatie voor wie de puberteit onverbrekelijik is verbonden met de indertijd als gezond getypeerde afschuw van rechts, gepersonifieerd door Hans Wiegel, de Pim Fortuyn van zijn tijd, minus diens dandyisme en flirt met de bohème. Beiden zijn zo rond de veertig en exponenten van de generatie van de anti-kernenergiebetogingen, de no future-cultuur van militante punks en krakers. Maar inmiddels zijn Sanders en Vaessens niet de enigen van hun generatie die hebben ervaren dat er één ding meer ergernis wekt dan de rechtse bal die vijfentwintig jaar geleden pleitte voor law and order en die de binnenlandse nivellering nog net niet gelijkstelde aan het opstomen der bolsjewieken. Nóg stuitender is, anno 2002, de regenteske linksist van de babyboomgeneratie die vanuit zijn Puttense burcht van 2 miljoen euro blijft volhouden dat de toename van de criminaliteit berust op onderbuikgevoelens, onheuse statistieken en vertroebeld perspectief. Met de oudlinkse retoriek die Marcel van Dam wekelijks verspreidt vanachter zijn lessenaar in Het Lagerhuis heeft de Lijst Fortuyn nauwelijks een eigen campagne nodig; de geweldenaar uit Putten drijft menig sociaal-democraat in etappes in de armen van professor Pim, die ooit door diezelfde Van Dam in datzelfde Lagerhuis toegebeten kreeg: ,,U bent een minderwaardig mens.'' Het is een opmerking waarmee je er nog vóór de eerste ronde van Het Jongerenlagerhuis al uitligt. Zo Fortuyn minderwaardig mocht zijn, dan hoeft dat toch echt niet worden uitgesproken door iemand die sinds heugenis is gedrogeerd door de morele superioriteitsroes waar menig PvdA-politicus door geïnfecteerd is geraakt.

Deze cultuuromslag van het massale zweven onder weldenkend links, en de bijbehorende verdooldheid en gêne over de eigen structurele verrechtsing; het is allemaal versneld geraakt door de opmars van Pim Fortuyn – the man we love to hate. Fortuyn is onze zweefvlieginstructeur gebleken, intens zelfverliefd, bot, smakeloos en populistisch. We weten dat we hem moeten verafschuwen. We dóen dat ook heel braaf. Totdat we Ad Melkert tegenover Paul de Leeuw een goed humeur zien etaleren waar de gelikte mediatraining hardnekkig doorheen blijft schijnen. Als Melkert vervolgens zonder zichtbaar zelfverwijt de versleten riedel afdraait over precies dié elementen van het regeringsbeleid (zorg, onderwijs, sociale cohesie) die onder paars flagrant zijn verwaarloosd, dan kan het niet anders of die afschuw splitst zich gelijkelijk op over de nar en de bobo, over de schaamteloze Fortunisten van nieuw rechts en de zelfvervettende PvdA-regenten van oud links.

Opvallend aan de politieke coming out van Sanders, Etty en Vaessens is de goedgemutste toon. Ze benadrukken dat zij hun status van zwevende kiezer pijnlijk vinden en dat ze ermee worstelen, maar zoals ze erover schrijven wekt het de indruk dat ze die worsteling eerder pikant dan pijnlijk vinden. Want natuurlijk verraste het resultaat van die Stemwijzer Sanders niet onaangenaam. Natuurlijk vindt Etty het allesbehalve erg dat Dijkstal voor haar het nieuwe redelijke alternatief belichaamt. En natuurlijk is die hulpkreet van Vaessens een versluierde juichkreet. De ooit aan links verankerde zwevende kiezer zweeft niet uit gewetensnood of innerlijke verscheurdheid maar uit zelfbevrijding. Van die zelfbevrijding leggen de drie betrokkenen verantwoording af in een nog nét niet lyrische toonzetting, op het zinnelijke af. Niet langer: ik stem, dus ik ben. Voortaan: ik zweef, en zal zijn.