WAO-onmacht

Het WAO-standpunt waarover het kabinet het gisteren eens is geworden heeft tot afwijzende reacties geleid bij werkgevers en vakbeweging. Dat viel te verwachten. Want het kabinet heeft ervan afgezien het akkoord tussen de sociale partners die deze benaming weer eens alle eer aandeden dat de basis vormde van een advies van de Sociaal-Economische Raad over de arbeidsongeschikheidsregeling, in zijn geheel over te nemen.

Volkomen terecht heeft het kabinet zijn eigen verantwoordelijkheid genomen. Het gebrek aan het gevoel voor verhoudingen blijkt uit de reactie van het Christelijk Nationaal Vakverbond op het kabinetsstandpunt. Boos stelt het CNV vast dat ,,de politiek is gaan winkelen in het SER-advies'', terwijl toch ,,indringend was gewaarschuwd dat niet te doen''. Nog altijd is het zo dat de regering wetgeving tot stand brengt en niet de belangenorganisaties van werkgevers en werknemers.

Het kabinet neemt op twee belangrijke punten het SER-advies over de WAO niet over. Zo wil het kabinet niet al op voorhand besluiten over het verhogen van de WAO-uitkeringen van 70 naar 75 procent van het laatst verdiende loon en het afschaffen van de zogeheten premiedifferentiatie. Dit was nu juist de uitruil waardoor vakbeweging en werkgevers het met elkaar eens konden worden over een andere opzet van de WAO.

Het valt toe te juichen dat het kabinet niet onder deze druk is bezweken. De geschiedenis van de WAO kent een spoor van goede bedoelingen om het totaal uit de hand gelopen beroep op de regeling in te dammen. De realiteit is dat, afgaande op de WAO-cijfers, Nederland vergeleken met de rest van de westerse wereld nog steeds een doodziek land is. In het advies van de SER zitten goede aanzetten om de WAO tot normalere proporties terug te brengen. Maar deze voornemens dienen niet reeds op voorhand beloond te worden met een hogere uitkering en een voor werkgevers aantrekkelijker premieregeling.

Het kabinet heeft dus nu een standpunt over de WAO. Maar daarmee is tegelijkertijd alles gezegd. Want tevens meldt het kabinet dat vanwege de nog korte resterende zittingsduur het niet mogelijk zal zijn de uitvoering van een nieuw stelsel ter hand te nemen. De opvattingen van het kabinet zijn zodoende niet anders dan een bouwsteen voor de kabinetsformatie. Hiermee etaleert het kabinet op de valreep haar eigen onvermogen om op het terrein van de sociale zekerheid fundamentele doorbraken tot stand te brengen. PvdA en VVD waren op dit terrein acht jaar lang elkaars gevangene. De urgentie was er niet omdat de economische groei alles betaalbaar hield. Achter de façade van de conjuncturele opleving zat echter de onoverbrugbare tegenstelling tussen PvdA en VVD verscholen.

Het kabinet is het een maand voor de verkiezingen eens kunnen worden over de WAO in de veilige wetenschap dat men een en ander niet in wetgeving hoeft te concretiseren. De paarse onmacht had niet beter kunnen worden geïllustreerd.