Uitgerookt

Roken is een recht in Amerika. Er niet aan worden blootgesteld ook. Terwijl burgers uitvechten welk recht voorgaat, doet de tabaksindustrie alles om te voorkomen dat sigaretten een pariaproduct worden. Geld, genot en gezondheid strijden om de macht. Een puriteinse natie worstelt met zijn vrijheidsideaal.

Tabak is het meest omstreden zaaigoed van de Verenigde Staten. Bijna iedereen is betrokken bij de tabakskwestie. Boeren, rokers, niet-rokers, bestuurders van staten, ministers en politici in Washington, iedereen moet een positie innemen in `The Tobacco Wars'. Als ergens de strijd wordt uitgevochten tussen het individualistische en het moralistische Amerika, dan is het wel rond de sigaret.

De sigarettenindustrie in Europa heeft de overheid op afstand weten te houden met de `we komen er samen wel uit'-aanpak. In Amerika heeft Big Tobacco die verdedigingslinie allang moeten prijsgeven. In de meeste staten zijn vergaande regels afgekondigd die bepalen waar niet geadverteerd of gerookt mag worden.

Wie net aankomt in Amerika ziet met enige verbazing hoe voor openbare gebouwen de schuldigen bijeen heulen. Zij moeten hun rookpauze, soms in de bittere kou, buiten doorbrengen. Ook in niet overdreven vooruitstrevende staten als Iowa en Missouri zijn op strategische plekken een soort bus-abri's geplaatst met aan vier kanten glas. Het zijn per decreet aangewezen nicotine-afwerkplekken.

Sinds The Insider (1999) is algemeen bekend dat de tabaksindustrie haar lucratieve handel niet zonder slag of stoot uit handen geeft. Die film vertelt de waar gebeurde ervaringen van Jeffrey Wigand, directeur onderzoek bij een van de grote Amerikaanse tabaksfirma's, Brown and Williamson (Pall Mall, Kool en Lucky Strike). Wigands onthullingen, die hem zijn baan, zijn gezin en bijna zijn leven kostten, hebben de industrie gedwongen toe te geven dat zij jaren tegen beter weten in heeft ontkend een verslavende substantie op de markt te brengen.

De film illustreert de greep van de industrie op werknemers met een geweten én anderen die afhankelijk zijn van de tabaksmiljoenen. CBS weigerde vanwege de advertentiedollars een documentaire over Wigand uit te zenden. Pas toen kranten de feiten publiceerden, volgde CBS. Zeven tabaksdirecteuren hadden gelogen toen zij in '94 voor het Congres verklaarden dat nicotine naar hun weten niet verslavend was.

Het effect van deze doorbraak is verbluffend. Brown & Williamson (dochter van British American Tobacco) afficheert zich tegenwoordig op haar website als `A responsible company in a controversial industry'. Philip Morris, de grootste Amerikaanse sigarettenfabrikant, meent meer inhoud te geven aan de nieuwe eerlijkheid dan zijn concurrenten. Dat beaamt `attorney general' Tom Miller, de hoogste functionaris die toeziet op de naleving van de wet in Iowa.

Miller was nauw betrokken bij de rechtszaak van 46 staten tegen de tabaksindustrie die in 1998 leidde tot het Master Settlement Agreement. Op grond daarvan accepteert de industrie spelregels voor het adverteren, publicatie van de niet meer omstreden medische feiten over roken en betaling van miljarden aan de staten – zonder erkenning van schuld. Die betalingen kunnen in 2006 zijn opgelopen tot meer dan 200 miljard dollar, afhankelijk van de winsten van de bedrijven.

Volgens Miller leidt ook dit akkoord op staats- of federaal niveau niet tot wetgeving van belang ,,omdat de tabaksindustrie de wetgevers al veertig jaar in de houdgreep heeft''. Met financiële bijdragen aan de campagnes van politici van beide partijen voorkwam de industrie vrijwel alle regelgeving waar zij last van zou hebben gehad. In Californië is het percentage rokers gedaald van 24 naar 18. Miller: ,,De tabaksindustrie was de baas in ieder Congres. Alleen in Californië is dat omzeild via burgerinitiatieven die de rookbeperkingen hebben uitgebreid.''

De bewaker bij de ingang van de Philip Morris-fabrieken even buiten Richmond, Virginia, loopt rond met getrokken pistool. Hier wordt geen pruimensoep gemaakt. De slagboom gaat zelden omhoog voor bezoekers. Niet ver van de poort staat het onderzoekslab. Dat ontvangt geen buitenstaanders. Philip Morris ontkent steevast manipulatie van het nicotinegehalte tot een verslavend niveau. Ook in sigaretten met een laag teergehalte. Tabak is gewoon een landbouwproduct met een vloeitje er omheen.

De centrale productiehal van een halve kilometer lang houdt het midden tussen een pillen- en een chipfabriek, met één verschil: het machinelawaai van tegen de 90 decibel. Alle werknemers dragen verplicht koptelefoons of oorpluggen. Tussen de rijen machines wordt voortdurend geveegd. Ieder kruimeltje tabak gaat terug op de lopende band die per dag 672.000 sigaretten aflevert. Overal hangt de licht zoetige toffeelucht van onverbrande tabak.

Niet alleen de zuinigheid en de omvang van het complex, vooral de ernst van het gesproken woord in deze gebouwen maakt duidelijk – ondanks de schijnbare eenvoud van het eindproduct – dat hier veel, heel veel geld omgaat. De salarissen zijn er naar: een gemiddelde machine-operator verdient 58.000 euro (126.000 gulden) per jaar. De meesten werken er al dertig jaar. Philip Morris is een manier van leven.

Joe Camel

Sigaretten zouden in Amerika alleen in bruin papier verkrijgbaar zijn als het aan David Kessler had gelegen. Tegen kostprijs en op doktersrecept, voor verslaafden. Marlboro Man en Joe Camel zouden met pensioen zijn. Roken zou worden behandeld als een ernstige aandoening.

Maar zo is het niet gegaan. Nicotine is een wettelijk vrij verkrijgbare stof. Iedere dag beginnen 3.000 Amerikaanse kinderen met roken. In 1964 beval de hoogste medische autoriteit in het land dat op ieder pakje een waarschuwing moet staan dat het gebruik van tabak schadelijk is voor de gezondheid. Sindsdien zijn 14 miljoen rokers in de Verenigde Staten aan de gevolgen van hun verslaving overleden.

Niet-roker David Kessler heeft in de jaren '90 getracht deze, zoals hij zegt, ,,door mensenhand veroorzaakte epidemie'' een halt toe te roepen. Dat bleek levensgevaarlijk: ,,Ik werd met de dood bedreigd, maar daar denk je niet over na. Wij geloofden in wat we deden.'' Kessler leeft nog en Amerika's 50 miljoen rokers vinden jaarlijks bij duizenden hun plaats in hart- en longklinieken en de terminale zorg.

Kessler was van 1990 tot 1997 `commissioner' van de Food and Drugs Administration (FDA), de overheidsdienst die waakt over de veiligheid van medicijnen en voedsel. In die jaren groeide het besef dat sigaretten de hulpstukken zijn waarmee nicotine wordt toegediend. In zijn vorig jaar verschenen boek A Question of Intent (`een kwestie van opzet') beschrijft Kessler hoe hij probeerde vast te stellen dat de tabaksindustrie bewust een product op de markt bracht met een op verslavend effect berekende minimumdosis nicotine. Die zekerheid had hij nodig om sigaretten te kunnen opnemen in de lijst stoffen die slechts met FDA-toestemming verkocht mogen worden.

De industrie zat nog in de ontkenningsfase. Kesslers ploeg kwam er achter dat zij wetenschappelijk onderzoek had laten vernietigen waaruit bleek dat ratten eten en drinken laten staan om aan nicotine te komen. De industrie hield vol dat niet was bewezen dat nicotine verslavend is of dat sigaretten kanker veroorzaken. De medicus en jurist Kessler overtuigde met steun van vice-president Gore het Witte Huis van Bill Clinton. Zijn stelling was: tabak veroorzaakt in de VS jaarlijks meer dan 400.000 voorkombare sterfgevallen; de regering moet alles doen om die schade te beperken. Hij zette tabak in 1996 op de FDA-lijst.

De tabaksindustrie vocht terug tot voor het federale Supreme Court, dat in maart 2000 uitsprak dat het Congres de FDA niet had gemachtigd tabak te reguleren. Amerika's hoogste hof deed dat met dezelfde 5-4 meerderheid (dezelfde rechters) die Gore het presidentschap ontzegde in december 2000. De tabaksindustrie wist het Congres er ook toe te bewegen een wetsontwerp te verwerpen dat 500 miljard dollar schadevergoeding oplegde en reclame voor sigaretten aan banden legde.

Kessler was toen al afgetreden. Hij is nu decaan van de medische faculteit van Yale, de topuniversiteit in New Haven, Connecticut, en moet toegeven dat de recente ontwikkelingen hem verrassen: ,,Wie had drie jaar geleden durven voorspellen dat de tabaksindustrie de grote voorvechter van regulering zou zijn? We zijn in een volstrekt nieuwe fase beland.''

Auberginestekjes

Betty en Walter Russell zitten voor een kas van wapperend plastic. Zij maken met één vinger gaatjes in de pootaarde. Daar drukken zij auberginestekjes in. Honderden. Doos na doos, pallet na pallet. Het is hun roeping noch hun hobby. Maar zij moeten wat, nu de staat Maryland met antirookgeld een eind maakt aan het kweken van tabak, hun tabak.

Ze zijn zachtjes boos. ,,Alles wat wij bezitten hebben we te danken aan tabak. We hebben er goed aan verdiend, maar we hebben er ook een sentimentele band mee'', zegt Russell. ,,Het is een prachtig gewas, het ruikt en voelt lekker en het is heerlijk om mee te werken. Tabak vraagt veel minder gedoe dan wat we ernaast proberen: meloenen, pompoenen, rozen, zaaigoed voor in de border.''

Zuid-Maryland was eeuwenlang tabaksland. De Engelsen kochten de hele oogst, later de rest van de wereld. Overal staan hoge, houten schuren in het glooiende landschap. Na de oogst worden de groene blaren er metershoog in te drogen gehangen. Wind en vochtigheid doen de rest om de aroma's te bewaren.

De Russels vinden dat de Democratische gouverneur het ten onrechte heeft gemunt op tabak. Hij wil dat Maryland de eerste staat is die de teelt van dit landbouwproduct beëindigt. Tachtig procent van de boeren is al uitgekocht met een deel van de miljoenen die ieder jaar binnenkomen uit het Akkoord met de tabaksindustrie.

,,Natuurlijk is het een soort drug'', zegt Betty gemelijk. ,,Je houdt er van of je houdt er niet van. Het is al zo lang in omloop. Je kunt het wel verbieden, maar kinderen krijgen het toch te pakken, net als alcohol. En wat moet de staat zonder al die belasting op sigaretten?''

De Russels weten nog niet of zij zich laten uitkopen. De veiling van de afgelopen weken in Upper Marlboro en Hughesville leverde maar één dollar tachtig per pond op, volgens Betty ,,niet genoeg om winstgevend tabak van te verbouwen''. Zij overwegen zonder vreugde het geld van de gouverneur aan te nemen. Walter zegt in een andere kas, turend over zijn petuniastekjes: ,,Een acteur acteert, een basketbalspeler speelt basketbal. Ik verbouw tabak, dat is wat ik kan.''

Bij Philip Morris wordt er tegenwoordig niet meer omheen gepraat: roken kan leiden tot ernstige hartziekten, kanker en longemfyseem. De toon van ontkenning en verzet tegen iedere vorm van overheidsbemoeienis is verdwenen. Regulering? Graag. Dan weten we op langere termijn waar wij aan toe zijn.

,,Wij doen niet aardig tegen het publiek uit angst voor meer processen'', zegt Mark Berlind, als jurist bij Philip Morris Amerika verantwoordelijk voor contacten met politiek en overheden. ,,Het is in ons zakelijk belang dat de mensen weer vertrouwen in ons krijgen. Dat kan alleen als zij weten dat er behoorlijk toezicht is. Gezondheidsactivisten hebben gelijk dat sigaretten de belangrijkste producten zijn die mensen in hun mond steken waar niets voor is geregeld. Nergens staat aan welke eisen die moeten voldoen.''

Philip Morris vraagt om `effectieve en redelijke regulering'. Geen reclame op de jeugd gericht, mee eens. Zeven dollar per pakje om jongeren te ontmoedigen, geen probleem. Maar het halve pakje bedekken met waarschuwingen en enge longfoto's, dat gaat te ver. Een bijsluiter – net als bij geneesmiddelen – waarop de ingrediënten staan, akkoord. Maar geen verplichte publicatie van de bereidingswijze: doet Coca-Cola ook niet.

Verlagen van teer- en nicotineniveaus, ook dat vindt de industrie acceptabel. Tot op zekere hoogte. Berlind zegt conform de nieuwe openheid: ,,Nicotine is de reden waarom mensen roken. De overheid moet niet zo vergaand reguleren dat alle nicotine uit sigaretten verdwijnt. Wij trekken de grens daar waar sigaretten hun smaak verliezen. Roken is nog steeds een legitieme keus voor volwassenen.''

Echte rokers uiten zich in een andere toonsoort. ,,Wordt Wakker Amerika'', proclameren de Smokers United. ,,Het is tijd voor een nieuwe revolutie. Laat dat gloeiende sigaretpuntje de brandende toorts van de vrijheid zijn!'' Dit verbond van rokers roept op tot een kruistocht tegen de `nanny state', tegen `obscene belastingen' en tegen de grootschalige aantasting van individuele burgerrechten. Op hun website publiceren de Smokers United haatpost van antirokers, mét e-mailadressen voor een leuke persoonlijke reactie.

De Philip Morris-campus buiten Richmond wordt van een hoog hek voorzien. De jaarvergadering staat voor de deur. De demonstranten ook. De tabaksindustrie is nog steeds een geldmachine, maar een die zich moet verdedigen.

Vervolg op pagina 26

Uitgerookt

Vervolg van pagina 25

Dat is te danken aan organisaties als The Foundation for a Smokefree America, opgezet door Patrick Reynolds, kleinzoon van de tabaksmagnaat R.J. Reynolds. Hij zag zijn vader, een broer en verschillende vrienden aan longkanker overlijden en werd de eerste tabakszoon die de heerschappij van de clan aanvocht.

Bill Brown is een van de tegenstanders die ieder jaar voor de poort van Philip Morris staan als de aandeelhouders bijeenkomen. Hij is vrijwilliger van Infact, een organisatie die actie voert tegen agressieve rook-marketing. Met de korte film Making a Killing toont Infact hoe de tabaksindustrie nieuwe markten openlegt in Oost-Europa en Azië: met marketingmethodes die in het Westen al niet meer kunnen.

Brown doceert Oud Testament aan Union Theological Seminary in Richmond. Hij keert zich tegen `een uitwas van het marktkapitalisme', maar hij heeft ook persoonlijke motieven: ,,Mijn schoonvader is als tiener begonnen met roken, dat deed iedereen. Hij werd kettingroker. Ik vind het vreselijk hem te zien aftakelen ten gevolge van een gewoonte die hij vergeefs heeft geprobeerd af te zweren.''

Sinds kort voert Brown actie voor een boycot van Kraft, de voedseltak van Philip Morris, maker van onder meer Toblerone, Côte d'Or en Milka chocola, Ritz zoutjes en Maxwell House en Jacobs koffie. ,,Die voedingswaren geven Philip Morris een fatsoenlijk aanzien. Zij helpen sigaretten verkopen. Wij roepen op tot economische druk'', zegt Brown. ,,We willen het bedrijf er ook toe bewegen om Marlboro Man wereldwijd af te schaffen. Het is een wervend logo dat zegt: roken geeft je kracht. In Azië worden leuke meisjes ingezet om sigaretten met dat imago gratis weg te geven. Eenmaal verslaafd zijn tieners hun hele leven kopers.''

Drooglegging

Nu de ongezondheid van roken in Amerika is erkend, gaat de glamour er wat af. In de productiehal in Richmond mag niet worden gerookt maar in kantines en kantoren geldt een beleid dat aanmoedigt noch straft. Werknemers mogen met een pasje gratis één pakje per dag uit een automaat halen. De computer waarschuwt wanneer meer wordt gepakt: weest u gerust verslaafd, maar met mate.

De markt in de VS krimpt met 2 à 2,5 procent per jaar. In 2001 werden er nog maar 400 miljard sigaretten verkocht, tegen 600 miljard in de jaren '80. Philip Morris hield de winst op peil door groei van het marktaandeel tot 51 procent. Dat lukte dankzij premies voor plaatsing bij de kassa en klantenbinders zoals loterijen met een paar doorrookte dagen op een Marlboro Farm in het ruige westen als hoofdprijs.

Toen een jury in Florida midden 2000 een schadevergoeding van 144,9 miljard dollar had opgelegd aan de tabaksindustrie, rees even de vraag of de bedrijfstak de golf van processen zou overleven. Philip Morris geeft grote bedragen uit om rechtszaken te voorkomen of te winnen. ,,Honderden miljoenen dollars per jaar, maar niet zo veel als men zegt'', volgens vice-president William Ohlemeyer. Ter relativering wijst de ex-advocaat er op dat de asbestindustrie in Amerika honderdduizenden schadeclaims te verwerken kreeg. Bij tabak gaat het maar om duizenden zaken.

Ohlemeyer: ,,De mythe wil dat op een dag de sluizen opengaan en het schadevergoedingen regent, maar we zijn nog nooit definitief veroordeeld. Alleen in Californië hebben we een 100 procent mislukkingsscore. We hebben daar de laatste vier jaar drie zaken spectaculair verloren; we zijn overigens vol goede moed dat we het Supreme Court van Californië wel aan onze zijde krijgen.''

In totaal zijn honderden juristen dagelijks bezig te voorkomen dat het medische leed van de roker door Philip Morris vergoed moet worden. Tot nu toe met succes. Meer last heeft de tabaksindustrie van alle plaatselijke regels, zegt Ohlemeyer. De industrie mag volgens hem niet worden verweten dat light-sigaretten niet gezonder zijn. Het onderscheid tussen sigaretten met hoog en laag teergehalte is een verzinsel van de overheid. Hij ontkent overigens ten stelligste dat men aan lichte sigaretten nicotine toevoegt om aan het vereiste effect te komen.

Anderen, zoals ex-FDA-topman David Kessler, menen dat afdoende regulering ontbreekt. Dat stelt producenten ook in staat in light-sigaretten verschillende soorten tabak te mengen die het nicotineniveau op peil houden: ,,Anders zouden minder mensen verslaafd zijn en ophouden met roken. De bedrijven zorgen dat de drempeldosis erin zit.''

Een totaal tabaksverbod acht hij onmogelijk, gezien de ongelukkige herinnering die Amerika heeft aan de alcohol-Drooglegging (1920-1933). Liefst zou Kessler de mogelijkheid wegnemen winst te maken op tabak. Zolang dat niet lukt, moeten in ieder geval reclame en beschikbaarheid worden beperkt, stelt hij, want tabak is veel verslavender dan alcohol. ,,Als je alcohol gebruikt zoals wordt aangeraden, dan ga je er niet dood aan. Dat is het verschil. Slechts vijftien procent van alle alcoholgebruikers drinkt meer dan twee à drie glazen per dag. 80 à 85 procent van alle rokers steekt meer dan twintig sigaretten per dag op.''

Horigheid

Antirookstrijders in Amerika zien nog een lange weg voor zich. Zij wijzen op de financiële overmacht van de industrie en de horigheid van de politiek. Kessler citeert een FDA-medewerkster die vroeger als werknemer van Philip Morris te horen kreeg: ,,Wij zijn Philip Morris. Wij hebben meer geld dan God.''

Beide partijen in Amerika's Rookoorlog hebben aanzienlijke successen geboekt. In tegenstelling tot Europeanen kunnen Amerikanen een goeddeels rookvrij leven leiden. De tabaksindustrie heeft als belangrijkste succes dat zij verre van failliet is. Het akkoord met 46 staten werd financieel afgewenteld op de rokers en is moreel nuttig als bewijs van goede wil.

Het meest opmerkelijke is dat het aanzien van roken de afgelopen decennia in Amerika is omgeslagen, van stoer tot sociaal ongewenst gedrag, in ieder geval bij de middenklasse. Filmhelden steken niet meer binnen een paar minuten op. Roken is meer en meer iets voor armelui. Publieke figuren kijken wel uit rokend te worden gezien. En, zoals de rechtssociologen Robert Kagan en Jerome Skolnick hebben vastgesteld, roken is verwerpelijk geworden zónder dat er noemenswaardig toezicht is geweest op de naleving van de rookbeperkingen die in zeker driekwart van de gemeentes zijn ingevoerd. Het puriteinse sentiment leeft.

Philip Morris strijdt ook internationaal voor `evenwichtige' regulering. De sigarettenproducent doet in Genève mee aan de voorbereidingen van een wereldwijde Framework Convention on Tobacco Control. Zeker sinds de regering-Bush Amerika's actieve standpunt heeft verzwakt, hoeft de industrie niet bang te zijn voor wat vorige maand in Israël werd geëist door Amos Hausner, zoon van Adolph Eichmanns aanklager: `een internationaal tribunaal voor vervolging van tabaksmisdrijven'. Die maken volgens Hausner wereldwijd 4,2 miljoen slachtoffers per jaar.

Amerika rookt gewoon door, zij het in steeds strakker afgemeten ruimtes. ,,Degenen die zeggen dat de Amerikaanse tabakspolitiek te slap is tegenover de macht van de industrie en degenen die zeggen dat de tabakspolitiek te veel de oren laat hangen naar militante en elitaire antirookgroepen, hebben waarschijnlijk allebei ongelijk'', schrijven Kagan en Nelson in een recent boek (Regulating Tobacco). Zij concluderen dat de Amerikaanse publieke opinie het huidige mengsel van vrijheid en dirigisme kennelijk wenst.

Zo tevreden denkt men er niet over in het Farmer's Warehouse in Hughesville. Daar werd de afgelopen weken in sobere houten hallen de tabak per baal geveild. De prijzen waren slap, ondanks het geslonken aanbod. Met een wenk en een oogopslag kochten de tabaksverwerkende industrieën hun Maryland, een van de drie soorten die in een Amerikaanse sigaret gaan. Amish tabaksboeren reden met hun door paarden getrokken wagens volgens kenners ook dit jaar de mooiste tabak naar de veiling in Zuid-Maryland. Zij laten zich op principiële gronden niet uitkopen.

De veiling in Upper Marlboro zou volgend jaar wel eens de laatste kunnen zijn. In Hughesville hoopt men het langer uit te houden, al duurt de veiling nog maar zeven werkdagen, tegen vroeger twee maanden. Met zijn zuidelijk accent zegt veilingmeester Raymond Guy: ,,Ik zeg niet dat tabak gezond is, maar het is een manier van leven. Veel rokers zijn 95 geworden.''

Congreslid Henry Waxman nam de schade veroorzaakt door nicotinegebruik in Amerika minder licht op: ,,Alsof iedere dag twee jumbojets neerstorten.''