Terug naar de toekomst

Er staan drie opvallende paviljoens op de vorige week geopende Floriade. Eén maakt kans om erna uit te groeien tot het beeldmerk van de gemeente Haarlemmermeer. Over de merites van de marketingarchitectuur.

De vorige vier edities van de Floriade (1960, 1972, 1982, 1992) leverden nauwelijks memorabele architectuur op. Maar de vorige week geopende Floriade heeft minstens twee spraakmakende paviljoens, waarin de computer een hoofdrol speelde: dat van Haarlemmermeer en dat van Noord-Holland. Hun boodschap is duidelijk: Noord-Holland en de Haarlemmermeer zijn modern, hypermodern zelfs.

Gebouwen op wereldtentoonstellingen als de Floriade zijn altijd bedoeld als reclame voor landen of bedrijven. De eerste functie van wereldtentoonstellingsgebouwen is dan ook het trekken van aandacht. Dit kan kan op grofweg twee manieren, zo blijkt op wereldtentoonstellingen: door supertraditionele of juist hypermoderne paviljoens te bouwen. Het eerste soort paviljoens (Thaise pagodes, Tunesische tenten, Slowaakse boerenhutten) bevestigt de clichés die over een land bestaan en wordt meestal snel vergeten. Wie herinnert zich nog het sprookjespaviljoen getooid met talloze uienkoepels dat het tsaristische Rusland op de Wereldtentoonstelling van 1896 liet bouwen? Het tweede soort wereldtentoonstellingspaviljoen wordt gemaakt met nieuwe materialen en bouwtechnieken. Moderne paviljoens halen niet alleen soms de architectuurgescbiedenisboeken, maar kunnen ook uitgroeien tot een logo – zie de Eiffeltoren, gebouwd voor de Wereldtentoonstelling in 1889.

Ook het paviljoen van de Haarlemmermeer op de Floriade maakt kans op de status van beeldmerk. Samen met de 40 meter hoge piramide annex uitzichtsheuvel is het paviljoen het enige bouwwerk van de Floriade dat na afloop blijft staan. Het paviljoen, dat doet denken aan een gestileerde Duitse Heinkel-bommenwerper die op het punt staat op te stijgen, past volmaakt bij de marketing van de gemeente Haarlemmermeer van zichzelf. Op video's in het paviljoen presenteert Haarlemmermeer zich als superdynamische gemeente die, mede dank zij de aanwezigheid van Schiphol, een stralende toekomst voor zich heeft.

Dit is het eerste gebouw van de architecten Hani Rashid en Anne-Lise Couture van het New-Yorkse bureau Asymptote Architecture. Tot nu toe hadden zij installaties, meubelontwerpen en het Virtuele Guggenheim-museum (dat overigens nog steeds niet op internet is te zien) op hun naam staan. Asymptote is een telg van de internationale familie van computerarchitecten, die geloven dat de computer niet alleen een handig ontwerpmiddel is, maar ook een eigen esthetiek met zich meebrengt. In het tijdperk van de computer, waarin de echte en de virtuele werkelijkheid niet van elkaar zijn te onderscheiden, moeten ook de gebouwen uit vloeiende, gekromde vormen bestaan, vinden zij. Op de trappen na zijn er dan ook weinig rechte hoeken te bekennen in dit paviljoen. De buitenzijde van het gebouw is bedekt met alumininium platen die, net als het plaatwerk van auto's, veelal tweezijdig zijn gekromd. Ook de grote glasvlakken zijn, met dank aan de Nederlandse constructeur Mick Eekhout, gebogen. Binnen lopen vloeren, wanden en plafond in elegante bogen in elkaar over.

Toch doet het paviljoen van de Haarlemmermeer eerder denken aan het verleden dan aan de toekomst. Een echte computerblob is het niet geworden: het gebouw zou ook heel goed ontworpen kunnen zijn in de jaren dertig toen de `stroomlijnstijl' dankzij ontwerpers als Raymond Loewy en Norman Bell Geddes vooral in Amerika populair was.

De Nederlandse computerarchitect Kas Oosterhuis heeft voor Noord-Holland wel een echte blob ontworpen. Dit tijdelijke paviljoen bestaat uit een staketsel van rood staal waarop platen van Hylite, een buigzaam composietmateriaal, zijn geschroefd. Het doet nog het meest denken aan een enorme oester. Maar Oosterhuis' ambitie gaat verder: zijn ideaal is interactieve, beweeglijke architectuur. Hij wil dat gebouwen reageren op de bewegingen en handelingen van de gebruikers en zo als het ware één met hen wordt.

Maar ook Oosterhuis' blob lijdt onder de paradox dat wie naar het allermodernste streeft kans loopt uit te komen bij iets dat we al kennen: wie de oester van Noord-Holland binnen gaat, komt namelijk in een ronde ruimte die sprekend lijkt op een negentiende-eeuwse panoroma als dat van Van Mesdag in Den Haag. Het enige verschil is dat hier bewegende videobeelden en woorden op kreukelige doeken worden geprojecteerd. De videopresentatie is op uiterst bescheiden wijze interactief. Door op bepaalde plekken te gaan staan, kunnen bezoekers videofilmpjes starten over de snelwegen, steden en het landschap van Noord-Holland. Het is een vorm van interactiviteit die niet wezenlijk verschilt van het bedienen van de lichtknop in een oude kerk om een zestiende-eeuws schilderij beter te kunnen bekijken.

Voor echt bewegende architectuur moet de Floriade-bezoeker naar het stiltecentrum dat de gezamenlijke kerken hebben laten bouwen. Dit bescheiden maar prachtige gebouwtje is geen computerblob of vliegtuigachtig gebouw dat beweging suggereert, maar heeft juist een oervorm gekregen. Architect Jord den Hollander heeft van een holle pvc-buis met een lengte van 2,5 kilometer (50 stukken van 50 meter) een reusachtige bijenkorf gebouwd. Wie wel eens in Mycene is geweest, moet onvermijdelijk aan het graf van Atreus denken. Den Hollander heeft zijn oergebouw beweeglijk gemaakt door er water van boven naar beneden door te laten stromen. Bovenin, bij het gat waardoor de hemel zichtbaar is, stroomt het blauwgetinte water wild als in een bergbeek door de lange krul. Naarmate het verder daalt stroomt het rustiger, als een trage Hollandse rivier.

Zo heeft Den Hollander precies de omgekeerde weg bewandeld als de computerarchitecten. Niet door het gebruik van vooruitstrevende ontwerptechnieken probeerde hij beweeglijke architectuur te maken om ten slotte bij iets uit te komen dat vooral aan het verleden doet denken, maar met oeroude vormen en stoffen maakte hij waarlijk beweeglijke architectuur. Jammer genoeg wordt het stiltecentrum na afloop van de Floriade afgebroken. Anders was het ongetwijfeld uitgegroeid tot het beeldmerk van de gezamenlijke kerken.

Architect Kas Oosterhuis schrijft deze week het Hollands Dagboek, pagina 35 in het Zaterdags Bijvoegsel.