Tegen de versplintering

Referentiekader biedt het onderwijs niet meer. Toch dient de universiteit het centrum van gemeenschappelijke intellectuele ervaring te zijn. De beste manier om dat te bereiken is een algemene bachelors-fase. Zegt universiteitshistoricus Willem Otterspeer.

Wij leven in een chaotische wereld. En wij weten het. Vroeger zochten we zekerheid bij de universiteit. Maar zelfs de oude alma mater blijkt te dolen in de duisternis die ze dient te verlichten. De eenheid van de kennis zoals de negentiende eeuw die nog kende is uiteengevallen in de twee culturen van alfa en beta. In de twintigste eeuw werden die beide culturen verder vergruisd in elkaar bestrijdende kennistheorieën. Daarmee verviel de inhoudelijke consensus. Ons onderwijs biedt geen gemeenschappelijk referentiekader meer, omdat onze kennis versplinterd is.

Tegelijk raakte de héle universiteit haar verband kwijt. Schaalvergroting en differentiatie, processen die in de negentiende eeuw hun oorsprong namen, maar die in de twintigste een ongekende versnelling doormaakten, stelden de universiteit voor een aantal cruciale keuzes, die nooit zijn opgelost. Is de universiteit een instelling van wetenschap of een beroepsopleiding? Is ze een nutsorganisatie of een bedrijf? Is ze een instrument van de staat of een gids voor de verbijsterden? Of hoeft de universteit niet te kiezen?

Wat te doen? Het is mijn overtuiging dat het voor de individuele persoon èn voor het sociale of politieke verband waar hij deel van uitmaakt, van het grootste belang is dat er een zeker evenwicht is tussen het bekende en onbekende, tussen het vertrouwde en het nieuwe, tussen het eigene en het andere. Een dergelijk evenwicht maakt veranderingen mogelijk, maar maakt die veranderingen tegelijk beheersbaar.

Mensen dienen, voor hun eigen psychische welbevinden en voor het goed functioneren van een democratie, blootgesteld te worden aan meningen en onderwerpen van discussie die ze niet zelf gekozen hebben en waarover ze een eigen standpunt moeten bepalen. Tegelijk moeten veel zo niet de meeste burgers ten behoeve van een stabiel bestel een geheel aan gemeenschappelijke ervaringen hebben. Die gemeenschappelijke ervaringen verlenen sociale cohesie en stellen een heterogene samenleving in staat sociale problemen op te lossen.

De universiteit zou een plaats moeten zijn voor de intellectuele gemeenschappelijke ervaringen. Johan Huizinga noemde de universiteit het `denkend hoofd van het gemenebest' en dat is misschien wel statig gezegd, maar het omschrijft precies wat ik bedoel.

De universiteit is op de katholieke kerk na de oudste instelling in Europa met een ononderbroken geschiedenis vanaf de twaalfde eeuw. En ondanks de heftige veranderingen die ze doorleefde, is de universiteit zowel in vorm als in doelstelling zeven eeuwen lang zichzelf gebleven. De universiteit is in al die tijd alleen een onderwijsinstelling geweest en het onderwijs dat er gegeven werd was algemeen van aard. De middeleeuwse universiteit noemde zich een studium generale en dat betekende dat ze les gaf in onderwerpen die niet plaats- of tijd- of gildegebonden waren. De eerste universiteiten waren zelfs middelbare en hoge scholen tegelijk. De meeste studenten deden alleen de propaedeuse aan de faculteit van de vrije kunsten, van de liberal arts zoals ze nog steeds in het angelsaksische systeem heten.

Traagheidsbeginsel

En hoeveel er ook veranderde in de vroegmoderne periode met zijn kerkscheuring, natievorming en wetenschappelijke revolutie, de behoefte aan een universiteit die dat allemaal intellectueel bij elkaar hield werd er alleen maar groter op. En de universiteit heeft die taak de gehele moderne geschiedenis door, tot en met de achttiende eeuw, tamelijk succesvol vervuld. Ze schraagde het staatsbestel en kerkorde, ze disciplineerde onderdanen en vertaalde de spectaculaire groei van de kennis in standen van zaken. Dat wil zeggen, dat de universiteit hoofdzakelijk een traagheidsbeginsel was. Ze was, maatschappelijke gesproken, vooral een rem.

Maar aan een rem leek de moderne maatschappij steeds minder behoefte te hebben. In de negentiende eeuw kreeg de universiteit er twee taken bij die van groot maatschappelijk belang zouden zijn. Die twee taken waren het doen van onderzoek en het opleiden van een belangrijk deel van de beroepsbevolking. Daar had de universiteit zich tot dan toe nooit mee ingelaten. Iemand die een academische studie achter de rug had, had systematisch leren denken en kende het theoretisch geheel van zijn discipline. Maar de praktijk kwam in die studie maar zeer ten dele aan de orde. De juridische studie bijvoorbeeld was hoofdzakelijk gericht op het Romeins recht. Maar dat was nergens geldend recht maar werd geraadpleegd als het geldend recht het liet afweten of tot tegenspraak aanleiding gaf. En dat geldend recht leerde je ter plekke.

In de negentiende eeuw kregen staatsbestel en beroepsorganisaties zoveel invloed op het curriculum dat de lessen meer op de praktijk gericht werden. De vakken verdeelden zich in allerhande specialismen en in die specialismen werd onderwijs met onderzoek vermengd, omdat men ervan uitging dat die combinatie de beste manier was om de student in het vak op te leiden. Wetenschap en de beroepen, ze zouden de universiteit wezenlijk veranderen.

Hoezeer dat het geval was bewijst de Amerikaanse universiteit van de twintigste eeuw. Wie wel eens zo'n universiteit bezocht heeft, weet dat één campus vaak een duizelingwekkende variëteit aan opleidingen biedt. Middelbare, wetenschappelijke en beroepsopleidingen, het is er allemaal aanwezig. Algemene Colleges of Letters and Sciences, Arts and Crafts Colleges, Law and Medical Schools, alles is er. Elementaire cursussen remedial teaching naast elitaire honours programs, sportacademies naast geavanceerde onderzoeksinstellingen en laboratoria.

De Amerikaanse universiteit verzorgt massaonderwijs aan een zeer diverse clientèle en ze doet dat goed. Tegelijkertijd heeft juist de Amerikaanse universiteit altijd haar best gedaan dat marktdenken en pluralisme te neutraliseren door de klemtoon te leggen op algemene vorming.

Het opvallende van de Amerikaanse bachelor's degree is dat het een volwaardige graad is en dat het bedrijfsleven en de publieke sector in de Verenigde Staten niet verwachten dat de college graduate een beroepsopleiding heeft gevolgd. Wat men aan kennis en vaardigheden in een bepaalde baan nodig heeft, wordt door het bedrijf of de instelling in kwestie bijgebracht. Dat is dus precies dezelfde manier als waarop de academicus van de oude maatschappij zich bij zijn werkgever meldde: niet zonder meer bruikbaar, maar vol van mogelijkheden.

Het ziet ernaar uit dat in de Verenigde Staten de gouden jaren van het college geteld zijn. Vooral het liberal arts-deel daarvan krimpt en een toenemend aantal undergraduates kiest voor een management-variant.

Hoewel die trend zich ongetwijfeld in Europa zal manifesteren, doet zich in het Europese hoger onderwijs, sedert de afspraken van de Europese ministers van onderwijs in 1999 in Bologna, ook een ontwikkeling voor die even radicaal als hoopgevend is.

De ontwikkeling moet resulteren in een Europese integratie van het hoger onderwijs ter verhoging van inzetbaarheid van werknemers en mobiliteit van arbeid. Naar het model van de Amerikaanse bachelor and master's opleidingen, moet het systeem geharmoniseerd en het niveau aangepast worden. Studiepunten en graden moeten vergelijkbaar worden. Daarnaast moet het hoger onderwijs ook als leverancier van kennis en cursussen competititief worden met het Amerikaanse.

Er liggen vrijwel louter economische motieven ten grondslag aan deze omslag in het Europese denken over het hoger onderwijs. Toch bevat het idee grote mogelijkheden om academische kwaliteit met maatschappelijke relevantie te combineren. Maar dat betekent wel dat er twee taboes doorbroken moeten worden.

Het eerste daarvan is dat onze middelbare scholen geen algemene ontwikkeling bijbrengen. Ik bedoel niet dat de middelbare scholieren van nu minder weten dan die van vroeger, ze weten alleen allemaal verschillende dingen. Er zijn geen boeken meer die ze allemaal gelezen hebben, er zijn geen dingen meer die ze allemaal weten. Een bachelor's fase zou, als men bereid was het probleem te onderkennen en ook hier een core curriculum te ontwikkelen, een ideale oplossing bieden.

Bachelor's fase

Maar dan moet er nog een tweede taboe doorbroken worden. En dat is dat het hart van de universiteit niet ligt in de wetenschap, maar in het onderwijs. Niet in het onderzoek, maar in de algemene ontwikkeling. Niet in de master's maar in de bachelor's fase. De voorraad algemene kennis die nodig is om een creatief mens en participerend staatsburger te zijn moet in de bachelor's fase worden aangeleerd.

Deze opvatting heeft het bijkomende voordeel dat duidelijk is wat de overheid wel en wat ze niet moet betalen. Bepaalde onderwijshervormers worden niet moe te beweren dat hoger onderwijs geen collectief goed, geen dijk of lantaarnpaal is. Dat zal wel zo zijn – al zie ik wel wat in de vergelijking tussen een goedopgeleide elite en een dijk (of lantaarnpaal) – maar vervolgens ontbreekt het hun aan maatstaven om te bepalen tot waar de rol van de overheid zich zou uitstrekken. Ik zou zeggen: tot de bachelor's.

Waar het in die fase om gaat is de ontwikkeling van een wetenschappelijk wereldbeeld, het bijbrengen van discipline, die zorgvuldigheid en inventiviteit, kritiek met zelfkritiek verbindt. Zo'n wereldbeeld moet in staat stellen de verschillende culturen waarin de wetenschap verdeeld werd te overstijgen en de fragmentatie van de kennis ongedaan te maken.