Rotganzen onder Stalin

Ik heb een ganzenprobleem, ik bel Bart Ebbinge. Vroeger zat hij bij het Rijksinstituut voor Natuurbeheer in Leersum, tegenwoordig is dat allemaal Alterra in Wageningen. We hebben elkaar lang niet gesproken. Dus eerst de familieberichten.

,,Maar wat ik eigenlijk wou vragen'', zeg ik na verloop van tijd. ,,Dat boek van Frank Westerman.''

,,Dat dacht ik al'', zegt Bart.

,,Heb je 't al gelezen dan?''

,,Ik zat met een hernia. Een prachtig boek overigens.''

,,Maar dat van die rotganzen?'', vraag ik.

,,Ik heb hem er net een brief over geschreven'', zegt Bart. ,,Gisteren op de post gedaan. Als je wilt, stuur ik je wel een kopietje.''

Want dat van die rotganzen, dat is onzin.

In Ingenieurs van de ziel beschrijft Westerman de lotgevallen van schrijvers in de Sovjet-Unie. In dit kader gaat hij in op de reis die Maxim Gorki en anderen in 1933 maakten ter opluistering van de aanleg van het Belomorkanaal, de opening van een vaarweg tussen Leningrad en de Witte Zee. De landstreek heet Karelië, het werk werd gedaan door dwangarbeiders.

Zo komt hij op de kampen, de ontberingen die daar geleden werden, en zo komt hij ook op wat hij een `ornithologisch raadsel' noemt, de `plotselinge en onverklaarbare' terugval van bepaalde trekvogels in de vroege jaren dertig, met name rotganzen.

Ze werden, zo verklaart Westerman het onverklaarbare, gewoon doodgeknuppeld door de uitgehongerde gevangenen van Stalin. Moeilijk was dat niet. Na de broedtijd gaan ganzen in de rui en dan kunnen ze een tijdlang niet vliegen.

Siberische rotganzen, zeldzaam elegant en welluidend, een lust voor zowel het oog als het oor, overwinteren op de kusten van Noordwest-Europa, voor een belangrijk deel in het Waddengebied. Dat is nu zo, dat was toen ook zo. Wat dat betreft was er een directe relatie tussen het land van Stalin en het land van Colijn.

Nu kunnen we de brief van gisteren van Bart Ebbinge nemen, maar ook het boek Wilde ganzen in Nederland uit 1976. Hierin heeft de onvolprezen beeldhouwer en vogelkenner Theo Mulder het hoofdstuk `rotganzen' voor zijn rekening genomen.

Midden jaren dertig werden in hun overwinteringsgebieden nog maar 20.000 Siberische rotganzen geteld, waarschijnlijk minder dan een tiende van de oorspronkelijke populatie. Dieren die normaal in het getijdenmilieu fourageerden, kwamen verzwakt aan land en vormden daar een makkelijke buit voor jagers. Sommige, aldus Mulder, wogen nog maar een pond, nog niet de helft van hun gewone gewicht. Uitgehongerd!

Van een `ornithologisch raadsel' is hierbij nooit sprake gewweest. Van meet af aan werd de verklaring gezocht in een plantenziekte. Het breedbladige zeegras, stapelvoedsel voor rotganzen, werd hierdoor in korte tijd op het hele noordelijke halfrond weggevaagd.

Dat dit zeegras zich in de Waddenzee nooit hersteld heeft wordt toegeschreven aan de voltooiing van de Afsluitdijk (in 1933!). De één heeft het dan over toegenomen getijdenverschillen, de ander over vertroebeling van het zeewater – in ieder geval is het Waddengebied daarna nooit meer helemaal het oude geworden.

Dat het herstel van de rotgans daarna nog zo lang op zich liet wachten moet een andere oorzaak hebben gehad. Het dier kan namelijk heel goed gedijen op cultuurgewassen, op grasland of akkers met wintergraan. Maar daarvoor moest het zich op binnendijkse terreinen begeven, en daarvoor kwam het binnen bereik van het jagersvolk.

Stalins lijst van misdaden is natuurlijk onafzienbaar en er zullen onder zijn verantwoordelijkheid heus wel rotganzen zijn doodgeknuppeld, was het niet in Karelië, want daar broeden helemaal geen rotganzen, dan was het wel op het veel oostelijker gelegen Taimyr-schiereiland, want daar broeden ze wel en daar waren ook kampen. Maar een verklaring voor hun populatiecurves bieden deze gruwelen niet.

Stalin stierf in 1953. De kampen werden kort daarop gesloten. Met de rotganzen bleef het kwakkelen. Hun aantallen namen pas echt weer toe in de jaren zeventig, nadat in Denemarken, als laatste land op hun trekroutes, de jacht werd gesloten.

Tegenwoordig zijn het er weer circa 200.000. Begin jaren negentig waren het er zelfs nog zo'n 100.000 méér.

Frappant is trouwens de rol van de Afsluitdijk in deze geschiedenis – hij vormt de verbinding tussen zeegrasziekte en jagersgeweld. Frappant zeg ik, omdat waterwerken ook als een rode draad door het boek van Frank Westerman lopen. Hij is nogal gecharmeerd van de beroemde these van Wittfogel over het verband tussen grote dictaturen en grote waterstaatkundige ingrepen.

In Nederland zou je zeggen dat dit soort projecten heel goed hand in hand kan gaan met een democratisch bestel. We hebben de Afsluitdijk, we hebben de Deltawerken, we hebben zelfs nog waterschappen, de oeroude publieke organen die als oorsprong van onze overlegstructuur gelden. In Nederland deed de noodzaak van waterwerken opgeld als motief voor gelijkheid en samenwerking. Maar goed, dat was in de Sovjet-Unie ongetwijfeld anders.

Intussen heb ik een lange boswandeling gemaakt, en nu bel ik Bart Ebbinge opnieuw. Want die Siberische rotganzen, die vormen een aparte ondersoort, niet waar, die noemen we de zwartbuiken?

Dat klopt.

,,Maar er zijn ook witbuiken?''

Dat klopt ook.

,,En waar komen die vandaan?''

Die komen van Spitsbergen.

,,Hebben die ook zulke klappen gehad in de jaen dertig?''

Jazeker, nog hardere eigenlijk, want die waren nog afhankelijker van dat zeegras dan de zwartbuiken.

,,En waren er kampen op Spitsbergen?''

Natuurlijk niet. Spitsbergen, dat is Noorwegen. Er waren geen kampen in Noorwegen.

,,Kijk eens aan'', zeg ik.

,,Daar zeg je wat'', zegt Bart.

Maar tegelijkertijd, heerlijk voorjaarsweer, heb ik in het bos ook nog wat anders bedacht. Stalin of Colijn, het zal die rotganzen, zo elegant en welluidend, een zorg zijn. Stemrecht hebben ze nergens. Hun wereld is een wereld van het pure leven en doodgaan, een bestaan zonder geloof, ideologie of ethiek.

Vogels hebben geen boodschap aan onze staatsvorm. Maar mensen die van vogels houden natuurlijk weer wel.