Poldermirakel

Bij de Europese turnkampioenschappen in het Griekse Patras behoren de Nederlandse vrouwen volgende week tot de favorieten. Een opmerkelijke status, want Nederland speelde in de 125-jarige turngeschiedenis altijd een ondergeschikte rol.

Kinderen genoeg in Nederlandse gymzalen. Maar wat leverde het aan topturnsters op? Niets. De sterren van balk en brug en paard kwamen uit het oosten, waar ze ter meerdere eer en glorie van meestal communistische regimes minimaal zes uur per dag werden gedrild in turninternaten. Vanachter de dijken keken de Nederlandse turnsters op tegen kampioenen als Vera Càslavská uit Tsjechoslowakije, the queen of the sixties, die tien keer Europees, zeven keer olympisch en drie keer wereldkampioen werd. Of in het daaropvolgende decennium tegen de Roemeense Nadia Comaneci, die met negen Europese, vijf olympische en twee wereldtitels bijna net zo succesvol was.

Turnsters van dat kaliber kwamen van een andere planeet. Voor meisjes uit de polder zou dat niveau te hoog zijn gegrepen. Tot vorig jaar november, op de wereldkampioenschappen turnen in Gent, een stel Nederlandse tieners tot dezelfde prestaties in staat bleek als Russische en Roemeense turnsters. Renske Endel (18) uit Broek op Langedijk won een zilveren medaille met haar brugoefening, terwijl het team in de landenwedstrijd vijfde werd. Bewondering alom, maar bovenal verbazing. Waar kwamen die goede resultaten zo plotseling vandaan?

Van uitzonderlijk goede turnsters, zoals Suzanne Harmes (16). De scholiere uit Zoetermeer wordt naast Verona van de Leur (16) uit Waddinxveen beschouwd als het grootste talent van Nederland. Als kersverse senior heeft Harmes zich geplaatst voor de Europese kampioenschappen in Griekenland. Daarmee stootte zij de zeventienjarige Heerenveense Rikst Valentijn uit de nationale ploeg.

Suzanne Harmes is van kinds af aan gewend aan het zware, gedisciplineerde leven van een topturnster. De enige nieuwkomer in de Nederlandse ploeg oefent al vanaf haar vijfde op flikflakken en salto's bij turnvereniging Pro Patria in Zoetermeer. De scholiere staat dagelijks om half zeven op om zich om half acht in de turnhal te melden. Om kwart voor tien vertrekt ze naar school voor haar studie Sociaal Pedagogisch Werk (SPW), waarmee ze toegang hoopt te krijgen tot de pabo. Want ze wil na haar sportcarrière, net als haar moeder, het onderwijs in. Als Suzanne Harmes rond een uur of twee, drie thuis is, heeft ze een uurtje om te lummelen. Om vier uur begint de tweede training van de dag. Die duurt tot half acht 's avonds, waarna ze om acht uur thuis is om te eten. Dat ritme ligt vast van maandag tot en met vrijdag, waarna ze op zaterdag vrij is en op zondagmiddag van half drie tot zes uur de training hervat. Tenminste, als er geen wedstrijden zijn.

,,Het is zwaar, maar ik weet niet beter'', zegt de turnster. ,,Het is vooral vervelend als je moe bent. En als mijn vriendinnen wat leuks gaan doen en ik naar de gymzaal moet. Maar ik wil in 2004 naar de Olympische Spelen in Athene. Daar heb ik die vele trainingsuren wel voor over.''

Frustratie

De basis van het Nederlandse turnsucces is gelegd in de turnhallen van Zoetermeer, Nijmegen en Heerenveen. In betrekkelijke stilte maken plaatselijke clubs daar van talenten geleidelijk topturnsters. Dat viel ook Willem Veldman op, een 48-jarige coach met een lange staat van dienst. De Fries kreeg drie jaar geleden voor elkaar wat door allerlei onenigheid lange tijd onmogelijke was: hij bracht de regionale toptalenten samen in een nationale ploeg.

Veldman was rond kerst 1999 de katalysator in een toen nog hopeloos verdeelde wereld. Op verzoek van de gymnastiekbond (KNGU) bracht de oud-bondscoach alle ambitieuze, maar elkaar beconcurrerende clubtrainers bij elkaar. Met zijn neutraliteit en deskundigheid slaagde de docent turnen aan het sportopleidingsinstituut CIOS erin vrede te stichten.

Veldman: ,,Iedereen vroeg zich altijd maar af waarom Nederlandse turnsters steeds overal naast grepen. We waren wel goed, maar haalden het altijd nét niet. Dat was indertijd ook mijn frustratie als bondscoach en een belangrijke reden om te stoppen. Als je informeerde waarom samenwerking tussen rivaliserende clubs zo gevoelig lag, kreeg je nooit een exact antwoord. De juiste sfeer ontbrak eenvoudigweg om een Nederlands team samen te stellen.''

Het nationale kringgesprek met de trainers had effect. Niet onverwacht, want in voorgesprekken had Veldman al geconstateerd dat er meer overeenkomsten dan verschillen waren. ,,Ik wilde alleen praten met trainers die hadden gekozen voor topsport'', blikt hij terug. De coaches werden het die avond opvallend snel met elkaar eens. Ze besloten om naar de WK 2001 in Gent toe te werken met een team waarvan de turnsters zouden komen van de drie sterkste clubs, Pro Patria uit Zoetermeer, De Hazenkamp uit Nijmegen en WIK-FTC uit Heerenveen.

Veldman heeft tot en met de Olympische Spelen van 2004 in Athene een contract met de KNGU. Als een soort procesbegeleider (,,Ik noem mezelf vooralsnog landelijk technisch coördinator'') is hij niet zo naïef om het succes louter aan de herstelde verhoudingen en de verbeterde structuur toe te schrijven. ,,We hebben ook het geluk van een lichting zeer getalenteerde turnsters, van wie Verona van de Leur er bovenuit springt. Zij was als puntenmaakster de sleutel naar het succes in Gent. Maar vergis je niet, voorheen waren er ook al uitzonderlijke talenten. Alleen waren dat altijd eenlingen.'' Zoals Thérèse Wilmink (34) uit Kampen, die in 1985 32ste werd op de WK in Montreal, en de Nijmeegse Elvira Becks (25), die op de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona als 21ste eindigde. ,,Stel dat zij even oud waren geweest'', zegt Veldman, ,,dan hadden ze de basis voor een sterk team kunnen vormen.''

Thérèse Wilmink, inmiddels moeder van twee kinderen, is het niet met Veldman eens. ,,Ik haalde op de WK de laatste 36, dat was voor die tijd uniek. Het peil ligt nu zo veel hoger, dat is onvergelijkbaar met zeventien jaar geleden. Nee hoor, ik ben niet jaloers op de turnsters die nu succesvol zijn. Ik gun ze dat van harte. Ik heb een fantastische tijd gehad, die ik zo weer over zou doen.''

Papendal

De huidige succesformule bewijst dat het inmiddels opgedoekte turninternaat van de bond op het nationale sportcentrum Papendal een overbodig initiatief is geweest. In de jaren tachtig en begin jaren negentig koos de bond er voor om de nationale selecties dagelijks bijeen te hebben op Papendal. Turners en turnsters die niet in Arnhem of omgeving woonden werden ondergebracht bij pleeggezinnen. Het instituut stierf een zachte dood toen steeds minder kinderen intern wilde gaan en de grote clubs een gelijkwaardig, zo niet beter alternatief boden. De turnhal om de hoek kreeg toen weer de voorkeur.

Ondanks de mislukking van het project is Veldman mild in zijn oordeel over `Papendal'. ,,De zwakte was het ontbreken van een goede vooropleiding. Voor hun twaalfde mochten turnsters van de bond niet naar het internaat, terwijl de clubs het toentertijd aan kennis en ervaring ontbrak om gevorderde talenten af te leveren. Kinderen die op Papendal begonnen konden nog niks. Die waren pas op hun vijftiende in staat een aardig programmaatje te draaien. Zo'n model functioneert alleen als de basis goed is. Met de huidige talenten zou een internaat wel eens een voordeel boven het decentrale trainingssysteem kunnen hebben, omdat je dan de besten bij elkaar hebt. De vraag is of we het nog willen. Persoonlijk denk ik van niet.''

De nieuw verworven roem kan het amateurisme in het turnen niet verhullen. Dat de overkoepelende sportbond NOC*NSF een speciale regeling moest treffen om meisjes jonger dan achttien in aanmerking te laten komen voor 70 procent van het minimumloon was nog het kleinste probleem. De gymnastiekbond moest op stel en sprong een visie ontwikkelen om te voorkomen dat de sponsors die toestroomden onmiddellijk weer afhaakten. Maar de trainers komen er nog steeds bekaaid af. Zij moeten genoegen nemen met een vergoeding van maximaal 10.000 euro per jaar.

Het is half acht 's ochtends als de turnsters van Pro Patria aan hun warming-up beginnen. Een dagelijks ritueel dat stilzwijgend wordt gadegeslagen door hoofdtrainer Frank Louter (37) uit Woerden, die zijn functie bij de club combineert met het bondscoachschap. Meisjes als Gabriëlla Wammes (16) uit Zoetermeer, Verona van de Leur en Suzanne Harmes werken plichtsgetrouw op elk toestel hun programma af. Zo nu en dan krijgen ze van Louter een aanwijzing.

Verona van de Leur, die twintig kilometer verderop in Waddinxveen woont, wordt elke dag gebracht en gehaald door moeder Sonja in een speciaal daarvoor gekochte auto. Tussendoor tuft Sonja van de Leur ook tweemaal daags naar de school van haar dochter, het Thorbecke Lyceum in Rotterdam. Die verplichting is een zware last voor de familie Van de Leur, die verder uit vader Henk en de dertienjarige dochter Denise bestaat.

Henk van de Leur: ,,Ons gezinsleven wordt al negen jaar bepaald door de turncarrière van Verona. Verjaardagen schieten er regelmatig bij in en op vakantie zijn we al jaren niet meer geweest. Meer dan een weekeindje gezamenlijk weg zit er niet in. Nee, wij vinden het geen belasting; je groeit er in. En we hebben het er voor over. Bovendien zal het geen jaren meer duren, want ik ga er vanuit dat Verona na de Olympische Spelen in 2004 wel zal stoppen.''

Gevraagd naar een verklaring voor het dichten van de kloof met de wereldtop steekt Louter tussen de trainingen door een lang verhaal af. Hij praat over een proces dat al tien jaar gaande is. Hij begon bij zijn club met een groep tienjarigen die hij naar de Nederlandse top bracht. Met nieuw talent stootte hij later door naar podiumplaatsen op grote internationale kampioenschappen. Intussen zorgde Louter er ook voor dat hij zichzelf verbeterde. ,,Ik heb overal mijn ogen goed de kost gegeven. Steeds heb ik weer gezocht naar verbeteringen in mijn werkwijze. Bij topsport kan het altijd beter.''

Volgens Louter kwamen alle betrokkenen na de wereldkampioenschappen van 1999 in China tot het besef dat de wereldtop bereikbaar was. Kwalificatie voor de Olympische Spelen in Sydney was met een goed team weliswaar net misgegaan, maar dat was een gevolg van blessures en domme pech. ,,Op dat toernooi gingen bij velen de ogen open'', weet Louter, die bovendien wist dat onder aanvoering van Verona van de Leur de opvolging kwalitatief verzekerd was. ,,Ik realiseerde me terdege dat alleen door samenwerking een stap voorwaarts gemaakt kon worden, hoewel ik niet vrij van argwaan was. Net als veel anderen keek ik eerst de kat uit de boom. Vele clubtrainers hadden een houding van: alles goed en wel, maar kom niet aan mijn toko. Plat gezegd heerste er een bekrompen sfeertje. Een beetje egocentrisch en een beetje egoïstisch; typisch Nederlands. Het verandert wel, maar niet snel genoeg.''

In tegenstelling tot `Zoetermeer' is het in turnhal De Hazenkamp in Nijmegen gezellig druk. Verschillende groepen zijn gelijktijdig aan het trainen. Terwijl de Russische trainer Boris Orlov (57) zijn aandacht verdeelt tussen de achttienjarige Monique Nuijten uit Goes en de negentienjarige Fieke Willems uit Malden, verlaat een pipse Renske Endel stilletjes de zaal. Zij heeft een griepje onder de leden en vindt het verstandiger om voortijdig te stoppen.

Orlov is een rustige, aimabele Rus die, met een onderbreking van enkele jaren, vanaf 1986 in Nederland verblijft. Hij is een man met uitgesproken meningen, die hij in staccato zinnen met een vrolijk accent helder weet te formuleren. Orlovs handicap is dat het hem is verboden zich kritisch uit te laten over de bond. De voormalige bondscoach, die nog voor twaalf uur per maand op de loonlijst van de KNGU staat, kreeg een spreekverbod opgelegd na een aantal kritische uitspraken in de pers. Hij wil graag praten, maar zodra het woord `bond' valt, kruipt de Rus in zijn schulp.

,,Toen ik in Nederland kwam, was het niveau van de turnsters nul'', schetst Orlov de cultuurschok van destijds. Hij kwam van de turnschool in Moskou, van waaruit hij zijn pupil Olga Bitsjernova naar de wereldtitel had geleid. ,,Het turninternaat op Papendal was mijns inziens goed van opzet, maar het functioneerde niet omdat die typisch Nederlandse clubjes heel slecht materiaal aanleverden. Later kwamen er betere accommodaties, betere trainers en dat resulteerde in goede turnsters. Van een goed nationaal niveau is Nederland gegroeid naar een goed internationaal niveau. Mijn filosofie is: van niks moet je je eerst opwerken naar een gemiddeld niveau. Dat moet je daarna stabiliseren en dan kan je verder uitbouwen. Talenten zijn er altijd. Maar de grond moet vol zitten met mineralen om hen te laten rijpen. Maar in Nederland was tot voor kort de grond niet goed genoeg voor nieuwe aardappeltjes.''

Die vruchtbare bodem is volgens Orlov gecultiveerd ondanks de bond. Meer wil hij niet zeggen, ook al liggen de verwijten op het punt van zijn tong. Met enig cynisme: ,,Ik ben voor een deel in dienst van de bond, dus die heeft het goed gedaan. Applaus. De bobo's kunnen tevreden zijn. Maar ik mag niet zeggen dat de beste turnsters met de beste trainer moeten werken. Frank Louter kan als bondscoach niet zo werken als zijn collega's in Rusland en Roemenië, die wel dagelijks de besten van het land onder hun hoede hebben.''

Het recente succes schrijft Orlov voornamelijk toe aan de toevallige concentratie van uitzonderlijk talent. De Olympische Spelen van 2004 zullen volgens Orlov met deze groep wel bereikt worden. Maar voor de periode daarna voorspelt hij een terugval. ,,Vorig jaar werd Nederland vijfde op de wereldkampioenschappen. Dat is uitzonderlijk. Ik verwacht in de toekomst een terugval naar een positie rond de tiende plaats. Ook mooi. En vervolgens wordt het wachten op dat ene grote talent. Op een nieuwe Verona van de Leur of een nieuwe Renske Endel.''

En als de bond nu eens vergoedingen zou betalen, wordt het turnsters volgens Orlov een stuk aantrekkelijker gemaakt om voor een gedisciplineerd bestaan te kiezen. ,,De meisjes krijgen dankzij hun goede prestaties in Gent geld van NOC*NSF, maar daar had de bond al jaren eerder mee moeten beginnen. In Rusland krijgen turnstertjes van tien jaar al een vergoeding en die wordt hoger naarmate ze beter worden. In Nederland krijgen turnsters als beloning een wedstrijd in het buitenland. Joepie, joepie, wat zijn we blij, we mogen op reis. Maar een wedstrijd is werk, geen bonus. Het is de omgekeerde wereld. Turnen is werk, zwaar werk en lang niet altijd leuk. Turnen is werken met bloed aan de handen en doorwerken bij ziekte en blessures. En dat zou de bond eens moeten begrijpen. Hopelijk wordt het voor de volgende generaties beter geregeld.''

Sigaret

Rietje Bijlholt steekt maar weer eens een sigaret op en laat haar gulle lach geregeld over het schoolplein schallen. De turnhal die de vereniging WIK-FTC deelt met het CIOS in Heerenveen is leeg. Vijftiger Bijlholt, die haar leeftijd niet wil zeggen, heeft haar groep een dagje vrijaf gegeven na een inspannende stage met de nationale selectie in Beekbergen ter voorbereiding op de Europese kampioenschappen in Griekenland. Daardoor krijgt Rikst Valentijn de gelegenheid haar teleurstelling te verwerken. Een dag eerder heeft zij van Bijlholt te horen gekregen dat zij was afgevallen voor de EK-ploeg.

De trainster uit Groningen voldoet met haar kunstzinnige inslag niet aan het stereotiepe beeld van de sportcoach. Maar zij is dan ook afkomstig uit de danswereld, waar zij is gevormd als choreografe. Bijlholt heeft echter gekozen voor het turnleven, dat zij beschouwt als een cocktail van idealisme, intensiteit, creativiteit, kunstzinnigheid en vooral relativiteit.

De Groningse, die op grote toernooien bondscoach Louter bijstaat, heeft evenals Orlov en Veldman een verleden op het turninternaat Papendal. ,,Ik ben naar aanleiding van Papendal genezen van een centraal systeem'', verzucht ze. ,,Het past ook niet bij onze volksaard. Nederlanders willen graag op hun eigen manier werken. Aanvankelijk vond ik het internaat best spiritueel, maar al snel overheersten de nadelen. Kinderen kwamen altijd te laat binnen. De een had geen ballet gehad en een ander had de flikflak verkeerd geleerd. Zo ging dat maar door. Als trainers mopperden we voortdurend dat het nergens op leek.''

Naast de verbeterde trainingsmethoden en accommodaties verklaart Bijlholt het Nederlandse succes ook door de afkalving van de turninstituten in het Oostblok. ,,Tijdens de WK in Gent vertelde een Roemeense trainster mij dat de jonge turnsters steeds minder gemotiveerd zijn. Zij sprak van een doorgeslagen vrijheid. Dat verwacht je toch niet.''

Twee jaar eerder was Bijlholt nog twee weken te gast in een Roemeens turninternaat. Het viel haar op dat er voor de opleiding van de jongste kinderen door de ouders betaald moest worden. ,,Dat was nooit zo. Het leek me het begin van het einde. Al liepen er nog steeds fantastische turnsters rond. Daar was een groep van zestig zesjarigen, ik wist niet wat ik zag. In die leeftijdscategorie heb ik er niet één op de club. Al had ik er maar één mogen meenemen, dan was ik al tevreden. En dan praat ik over turnbolwerken waarvan ik vroeger dacht dat het onmogelijk was om zelfs maar in de buurt te komen. Maar je ziet het, ook zij hebben problemen. Beetje bij beetje kruipen we naar elkaar toe.''

Het steekt Bijlholt dat er zo moet worden gesappeld in de turnsport. De trainster: ,,Ik vind het bespottelijk dat de overheid met geld kinderen uit de criminaliteit probeert te houden. Veel van die resocialisatieprojecten zijn tot mislukken gedoemd. Dan denk ik: geef dat geld aan ons. Onze turnsters belanden niet in de criminaliteit. Ik weet wel, niet iedereen kiest voor sport, maar ik vind dat onze inspanningen een hogere overheidsbijdrage rechtvaardigen.''

Gelukkig maar voor Bijlholt dat haar idealisme in de loop der jaren stand heeft gehouden. ,,Maar ik ben dan ook een product van de jaren zestig'', zegt ze schaterend. ,,Je moet wel zo zijn, anders is dit vak niet uit te oefenen. Ik ben als idealist geboren, dat is er niet uit te slaan.''