Pers over Srebrenica: tussen actie en afstand

Het NIOD beoordeelt in zijn rapport over Srebrenica de rol van de journalistiek. Vrij snel, blijkt uit het onderzoek, klonk in de pers de roep om militair ingrijpen. Ook deden zich saillante vormen van geëngageerde verslaggeving voor. Afstandelijkheid werd gewantrouwd.

Niet alleen politici, ook NRC Handelsblad en veel andere media hebben opgeroepen tot interventie in voormalig Joegoslavië. De bijlage van het NIOD-rapport Srebrenica en de journalistiek op cd-rom weegt de rol van de pers in de Srebrenica-tragedie en de opvattingen en werkwijze van de journalistiek. De opsteller, Jan Wieten van de onderzoeksschool voor communicatie van de Universiteit van Amsterdam, geeft saillante voorbeelden van geëngageerde journalistiek en actie voeren via de media.

Extreem was een serie van 54 wekelijkse weekoverzichten over Joegoslavië van NCRV's toenmalige actualiteitenrubriek Hier en Nu. De uitzendingen, van januari 1993 tot februari 1994, eindigden met een tekst over het hele scherm: ,,En nog steeds wordt er niet ingegrepen''.

Twee redacteuren van NRC Handelsblad, Elsbeth Etty en Peter Michielsen, sloegen de handen ineen met collega's Anet Bleich en Ewout Nysingh van De Volkskrant voor een gezamenlijk stuk op de opiniepagina's van beide kranten. Op oudejaarsdag van 1991 riepen zij op – niet tot militair ingrijpen – maar tot acties van onbewapende verontruste Europese vredesactivisten in de Balkan om de Serviërs en de Kroaten gescheiden te houden. Deze oproep werd snel vergeten.

Op 16 juni 1992 constateerde het hoofdartikel van NRC Handelsblad nog dat de ervaring in andere oorlogsgebieden had geleerd dat ingrijpen in ex-Joegoslavië niet mogelijk was. Maar nog geen twee maanden later, op 5 augustus, gingen de commentatoren om. De ,,waarden waarvoor Europa zegt te staan'' stonden op het spel en ,,dus moet er worden ingegrepen'', aldus het hoofdartikel: ,,Iedere dag die verstrijkt, valt er minder te beschermen''.

Lieten dergelijke oproepen sporen na in de publieke opinie? ,,Een meetbaar effect heeft dit alles niet gehad'', constateerde het rapport droogjes. Het was eerder zo dat deze oproepen het Nederlandse opinieklimaat weergaven. Van 1992 tot 1995 registreerden opiniepeilingen massale steun voor ingrijpen in de Balkan. ,,Bepaalde pieken zijn wel terug te voeren tot gebeurtenissen in Joegoslavië die in de media veel aandacht kregen, maar zijn moeilijk te relateren aan de acties van een bepaalde actualiteitenrubriek of een bepaalde krant'', aldus Wieten.

Wieten heeft niet onderzocht in hoeverre de politiek werd beïnvloed door de media, bijvoorbeeld naar Kamerinterventies na publicaties. Ook het NIOD-rapport trekt geen definitieve conclusies. In de tekst concludeert directeur prof.dr. J.H.C. Blom dat de ,,publicitair politieke constellatie'' aanleiding gaf tot uitzending van Dutchbat. Maar in zijn begeleidende toespraak afgelopen woensdag concludeert hij dat het niet het parlement en de media waren die het kabinet dwongen om de luchtmobiele brigade eind 1993 naar Srebrenica te sturen. Het kabinet liep zelf al van het begin af aan internationaal voorop.

In het rapport kan voormalig minister van Defensie Relus ter Beek ruim ammunitie vinden voor zijn beschuldigingen aan de pers van afgelopen dagen, maar geen definitieve bewijzen. De pers heeft de neiging zijn gelijk achteraf bij te stellen. Wieten noemt de ergernis van Ter Beek indertijd over de wekelijkse oproep van de NCRV die pas ophield na de uitzending van Dutchbat in 1994. IKV-leider Mient-Jan Faber wilde de overheid ,,bedelven met briefkaarten''.

Kranten konden dieper ingaan op de situatie ter plekke dan televisieprogramma's die daar vaak geen vaste correspondenten hadden. De eerste groep vaste correspondenten in ex-Joegoslavië koos geen partij tussen de Kroaten, de Bosnische moslims en de Serviërs. Dat leidde tot conflicten met redacties thuis die vaak de Bosnische moslims hoofdzakelijk als slachtoffers konden zien van Serviërs met de Kroaten daar zo'n beetje tussen. De opinies en commentaren in de kranten weken in die tijd vaker af van wat de verslaggevers ter plekke meldden. Maar rond 1993 tot 1994 werd de oorspronkelijke groep oorlogscorrespondenten vervangen door een tweede, meer geëngageerde generatie. De verslaggeving begon volgens Van Wieten meer overeen te stemmen met de hoofdartikelen en opiniërende stukken. Vooral Britse journalisten, Maggie O'Kane van The Guardian bijvoorbeeld, waren principieel geëngageerd. Als Nederlands voorbeeld wordt de freelance journalist Harald Doornbos genoemd.

Als voorbeelden van journalisten die niet partij kozen, noemt onderzoeker Wieten Othon Zimmerman van Algemeen Dagblad, Nicole Lucas van Trouw, NRC-correspondent Raymond van den Boogaard die daar tot 1994 verbleef en Marjon van Royen die daar in 1994 en in 1995 als verslaggever vaak kwam. Van den Boogaard, daar tot 1994 actief, kreeg veel kritiek ter redactie als hij schreef over het uitblijven van bewijs voor geruchten over massale verkrachtingen of dat de gevangenkampen niet te vergelijken waren met Duitse concentratiekampen. Hij zou meer de kant van de onderdrukte moslims moeten kiezen. Toch werden ondanks alle kritiek zijn stukken ongewijzigd geplaatst. Dat hangt samen met de individualistische cultuur bij NRC Handelsblad. In De Volkskrant probeerden redacteuren meer op één lijn te komen.

In de tweede helft van zijn rapport gaat onderzoeker Jan Wieten uitgebreid in op de manier waarop de voorlichting van defensie journalisten dwars zat en verkeerd voorlichtte, en hoe ijverige onderzoeksjournalisten van de televisierubriek Nova, De Volkskrant, en NRC Handelsblad met een stroom aan volgens Wieten soms `gehyped' nieuws het onderwerp Srebrenica op de agenda hielden.