Overpeinzingen: De bronzen man

Voor het eerst heb ik hem gezien in het beginnend schemer van een mistige najaarsdag. Hij maakte me nieuwsgierig. Het leek me te koud om daar zonder jas buiten op een bankje te zitten. Maar misschien had hij, zo verdiept in zijn werk, er geen last van. Ik wilde van dichtbij kijken. Toen ontdekte ik, nog altijd tot mijn ongeloof, dat hij van brons was. Ik ben naast hem gaan zitten, heb aan zijn neus getrokken om me er definitief van te overtuigen.

1139

De man over wie het hier gaat is een sculptuur van J. Seward Johnson. Het stond op Liberty Plaza, Downtown Manhattan, in het midden van de diagonaal tussen Wall Street en het World Trade Center. Hij, of het, draagt een onberispelijk pak, heeft op zijn knieën een open koffertje waarin een paar pennen, een zakjapanner en een bandrecordertje. Leuke voorbijgangers gooien er soms een boterham bij. Naast hem ligt zijn papaplu. Het memo dat hij leest draagt het briefhoofd van Merrill Lynch, de bank waar hij een afspraak heeft.

Dit beeld heet Double Check. Het is er neergezet in 1982. Niet lang daarna werd Michael Milken beroemd met zijn sluwe oplichterijen. In 1987 verscheen Tom Wolfe's The Bonfire of the Vanities, het vreugdevuur der ijdelheden, waarin de held Sherman McCoy dergelijke avonturen beleeft waarna het slecht met hem afloopt. Mannen als hij droegen ook zo'n pak; hadden eenzelfde koffertje. In deze buurt wemelde het in die tijd van de doublecheckers.

Af en toe ging ik bij de bronzen man op bezoek. Soms lagen er dorre bladeren in zijn koffertje of was het vol gesneeuwd. 's Zomers zat er wel eens iemand naast hem, een levende, bijna onbeweeglijk. Nauwkeurig hetzelfde gekleed, dezelfde uitrusting, met één verschil. Hij had een bakje voor zich waar je geld in kon gooien. Een zwarte man die zich gezicht krijtwit had gemaakt. Knap gedaan, vond ik. Hoon als broodwinning.

De laatste keer dat ik de bronzen man zag was op het journaal, een paar dagen na elf september. Hij was met stof overdekt, het koffertje was gevuld met verbrand papier, maar hijzelf zag er ongeschonden uit. Zo gauw mogelijk wilde ik weer op bezoek.

Dat ging niet. De hele buurt was afgezet en het stonk er naar oude rook en verschroeide steen en ijzer. Liberty Plaza werd zwaar bewaakt, had een omheining gekregen waaraan foto's hingen van vermisten die door hun familie werden gezocht. Het onheil had zich aan de hele buurt meegedeeld. Het heeft geen zin dat nader te beschrijven; het was van het soort dat je moet zien om het te geloven.

Gisteren was het prachtig weer. De bomen krijgen weer blad, de stad komt uit het stof van haar geschondenheid tevoorschijn. Goed weer om eens te kijken hoe de bronzen man het maakt. Ik nam bus twintig die naar Battery Park City gaat en verzadigde me aan het stadsbeeld. Verzadigen is het woord. New York, Manhattan is een oude stad, vol met geschiedenis die voor mij nog tastbaar, grijpbaar is. Welke misdadigheid is op het idee van de aanval gekomen? Dat vraag ik me trouwens ook af als ik in Rotterdam uit het station kom, en altijd weer zie dat wat oud is bij de Westersingel ophoudt.

Liberty Plaza is nog afgesloten. Ik vroeg een agent waar de bronzen man was gebleven. Hij had er nooit van gehoord. Aan de ingang van een bankgebouw stonden twee heren een sigaret te roken. Bronzen man met koffertje en paraplu? Ze keken me achterdochtig aan. Een oude gek waarschijnlijk. Oorlogstrauma. Nee. Nooit gezien. Ik ging naar Merrill Lynch, het oude gebouw binnen. Geen praatjes! De zware bewaking wees me de straat. Ik kwam aan een grote, dikke, in rood laken geklede portier. Bronzen man? Zijn gezicht klaarde op! Yessir! Hij begon te wijzen en uit te leggen. Tweemaal links, driemaal rechts, trappen op. Dan zie je hem. Mijn ruimtelijk geheugen is gebrekkig, en ook als ik doe wat de wegwijzer me gezegd heeft, kom ik aan de andere kant terecht. Zo ook nu. Ik kwam aan bij een andere sculptuur, de oranjerode, op zijn punt staande kubus met een gat erin, van Isamu Noguchi. Ja, van die dingen hebben we er thuis ook veel.

Ik geloof dat ik de hele buurt heb uitgekamd, alle sigaretten rokende bankbedienden heb aangesproken. Ik begon me FBI te voelen: ever seen a man like this! Ten slotte een souvenirwinkel. Daar was een Chinese vrouw in het Chinees aan het telefoneren. Ik wilde niet storen en bekeek het aanbod. Nog nooit zoveel Twin Towers heb ik gezien: van ijzer, brons, glas, met lichtjes erin, als schemerlamp, in een glazen bol, een van een halve meter hoog met brandweermannetjes eromheen en een brandweerbijltje ervoor. Geen kleine bronzen doublechecker. De mevrouw achter de toonbank bleef praten en lachen. Beleefd buigend heb ik de winkel verlaten.

Zo'n sculptuur in het klein, een miniatuur afgietseltje om op je bureau te zetten. Waarom maken ze dat niet, als eerbetoon aan de ware allochtonen van de buurt? Die ochtend heb ik niet verder naar de echte gezocht, maar ik weet dat hij niet verloren is.