`NOOIT MET JE RUG NAAR DE KLAS GAAN STAAN'

Scholen hebben vaak meer aandacht voor hun eigen problemen dan voor de moeilijkheden van hun beginnende leraren die als zij-instromer binnenkomen. Niet goed, zegt zij-instroom-coördinator Else van Eijsden.

Ze had nog nooit gereageerd op een krantenartikel, maar na het verhaal van zij-instromer Aaltje Vincent in het Schoolvoorbeeld van vorige week, pakte Else van Eijsden toch de telefoon. ``Zo iemand had tegen zichzelf in bescherming genomen moeten worden'', vindt zij. Als Coördinator `Assessment Center' aan de Fontys Hogeschool in Tilburg is Van Eijsden nauw betrokken bij het `keuren' van kandidaat-zij-instromers en heeft ze een goed beeld van hoe een Haagse maatregel in de schoolse werkelijkheid geduwd wordt. ``De wet op de zij-instroom is op zichzelf een prachtmaatregel, die ervoor zorgt dat mensen met veel kwaliteiten en enthousiasme het onderwijs in komen. Maar er zijn scholen die misbruik maken van deze mensen.''

In haar werk ziet Van Eijsden de uitersten van hoe het wel en hoe het niet moet. Er zijn scholen die voorop lopen, die potentiële zij-instromers ruimhartig laten meekijken op school en structurele begeleiding voor beginnende docenten opzetten. Die scholen zien investeren in zij-instromers als een investering in toekomstige goede leraren. En er zijn scholen die zich vooral laten leiden door `het nu'. Dat zijn scholen die hun zij-instromers direct in het diepen gooien, laten dobberen, en als het tegen zit kopje onder laten gaan. Het zijn de scholen die klagen over de zwaarte van het zij-instroomprogramma, maar `hun' zij-instromer wel een volledige aanstelling geven en hem of haar niet tegemoet komen met praktische oplossingen om die taak te verlichten. Zelfs niet als die oplossingen in de wet verankerd zijn.

Een probleem is dat de 10.000 euro subsidie die scholen sinds vorig jaar voor een zij-instromer krijgen niet geoormerkt is. ``Dat geld is bedoeld voor het testen (assessment) en de opleiding van de zij-instromer en voor goede begeleiding op school'', zegt Van Eijsden. ``Maar scholen kunnen het naar eigen inzicht besteden. En dat betekent dat zij-instromers niet altijd krijgen waar zij recht op hebben. Studieverlof bijvoorbeeld. Dat maakt het mogelijk dat iemand op basis van een volledige aanstelling wordt betaald, maar minder uren les geeft. Dat kan met deze subsidie betaald worden.'' Veel scholen kennen die regels niet, of ze lappen de regels aan hun laars is de ervaring van Van Eijsden.

Op zich rekent ze dat de scholen niet eens zo sterk aan: ``Scholen moeten nu een personeelsbeleid gaan voeren, terwijl ze dat twee decennia lang niet hebben gedaan. Altijd was er meer aanbod van docenten dan vraag en had een school het maar voor het uitzoeken. Dat tij is nu gekeerd.'' En dus moet er nu een omslag komen, in denken en doen. Dat is belangrijk, volgens Van Eijsden: ``De komende jaren zullen veel docenten met pensioen gaan. Om zij-instromers voor het onderwijs te behouden zullen ze zo goed mogelijk verzorgd moeten worden, net als alle beginnende leraren overigens. In de deeltijdopleidingen bijvoorbeeld groeit het aantal studenten fors. Dat zijn huisvrouwen, mensen van buiten Nederland, mensen met een mbo-opleiding die, soms naast hun werk, in deeltijd hun bevoegdheid halen en stages lopen op school. We zien dat zij worden `weggekocht' door scholen in hun tweede of derde jaar en vervolgens studievertraging oplopen. En het vervelende is dat de Onderwijsinspectie toestemming verleent aan scholen om zo iemand onbevoegd voor de klas te zetten.''

Beginners zouden van overheidswege dus meer beschermd moeten worden tegen de honger van de scholen, vindt Van Eijsden. ``Natuurlijk begrijp ik dat de nood hoog is, maar scholen moeten leren meer gericht te zijn op hun beginnende leraren dan op zichzelf. Willen zij-instromers slagen dan hebben ze veel begeleiding nodig. Ze hebben wel kennis van zaken, maar moeten de kneepjes van het vak leren. Dat moeten scholen niet onderschatten.''

De Fontys Hogeschool in Tilburg is één van de zeven instituten waar mogelijke zij-instromers getest kunnen. Van Eijsden laat de ruimte zien waar dat gebeurt: een grote, hoge zaal met tafels en stoelen die in een halve cirkel rondom het bord staan opgesteld en ernaast een technische ruimte waar videobanden van lesssituaties kunnen worden afgespeeld. Het assessment center in Tilburg opende in april 2001 haar deuren. Vorig schooljaar werden er elf kandidaten getest. Dit schooljaar zullen dat er ruim honderd zijn.

Het assessment is verplicht vóórdat een zijinstromer kan starten met zijn of haar werk en opleiding. Officieel, althans. In de praktijk zetten scholen ook al mensen voor de klas die nog niet begonnen zijn aan dat traject. Dat zou niet mogen kunnen, vindt Van Eijsden. Het voorkomt teleurstelling en vroegtijdig afhaken. ``Want tijdens het assessment blijkt al heel snel of iemand geschikt is.''

Een dag lang worden vier kandidaten door twee `assessoren' beoordeeld op hun vaardigheden, onder meer via rollenspelen. Iedereen geeft een proefles en wordt geconfronteerd met video's van leerlingen die dingen roepen die in het echt voorkomen: uitschelden, discriminerende opmerkingen. ``Daar moeten mensen op reageren en dat doen ze heel verschillend'', vertelt Van Eijsden. De slechtste reactie is tegen de assessoren zeggen `wat moet ik hier nou mee?''' Ook in de proefles van vijftien minuten, spelen de assessoren de rol van leerlingen: `Waarom moet ik dàt nou leren?!' Van Eijsden: ``Ook hier gaat het om de reactie van de kandidaat. Gaat hij onverstoorbaar door met de `voordracht', of reageert hij? Interactie, daar draait het om in de klas. Leerlingen kunnen je maken of breken en dat hangt af van hoe zij jou zien.''

Ook wordt een echte les die een zij-instromer op zijn of haar (toekomstige) school geeft geanalyseerd. Uiteindelijk krijgen de kandidaten `groen licht' of `rood licht' voor de opleiding.

Op de Fontys Hogeschool krijgen zij-instromers in groepen van vijftien les in beroepsvaardigheden. In die lessen worden de ervaringen van de zij-instromers als uitgangspunt gebruikt aan de hand waarvan verwezen wordt naar de theorie. Lastiger is het met het vakinhoudelijke deel. Daarin hebben de vakgroepen van de diverse lerarenopleidingen het laatste woord. En dus hoeft een zij-instromende leraar economie met een heao-diploma op de ene opleiding geen enkel vak meer te halen, terwijl op een andere opleiding sommige vakken nog wel verplicht zijn.

In juni van dit jaar gaat Fontys starten met een mini-cursus waarin zij-instromers die in augustus aan de slag gaan (dat is de grote hoos) alvast de basisdingen leren, zodat zij niet geheel onvoorbereid `voor de leeuwen' worden geworpen. Van Eijsden noemt een paar voorbeelden: ``Nooit met je rug voor de klas gaan staan. Ook niet om iets op het bord te schrijven. Vraag jezelf af of je dat niet met een overheadprojector kan doen. Omgaan met leerlingen: als er iets is gebeurd moet je dat niet laten sudderen, maar aanpakken. En doe nooit twee dingen tegelijk. Als een leerling vervelend is zeg je dat je daar na de les over wilt praten. Als die leerling dan begint van `ja, maar mijn poes is dood', dan valt een beginner daar gelijk voor. Wij leren ze dat ze dan toch eerst moeten ingaan op dat vervelende gedrag. Die poes die dood is komt daarna wel.''