NIOD

Voor het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) was de regeringsopdracht voor een Srebrenica-onderzoek een geschenk uit de hemel. Want had het NIOD nog wel bestaansrecht, vroegen historici, politici en zelfs ex-medewerkers van het instituut zich de laatste jaren openlijk af. Niet voor niets stelde de toenmalige minister van O C& W Jo Ritzen in 1996 een commissie in die moest adviseren over de toekomst van wat tot 1999 nog het RIOD (Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie) heette. De uitkomst loog er niet om. Volgens voorzitter E.H. Kossman was er sinds het afscheid van RIOD-directeur Loe de Jong – in 1979 – sprake van een ,,langdurig interregnum''. Het historisch onderzoek vertoonde gaandeweg steeds minder samenhang, het instituut zou zich breder en internationaler moeten gaan oriënteren.

Het was niet voor het eerst dat er aan het bestaansrecht van het instituut werd getwijfeld. Al in 1948 pleitte de toenmalige minister van OK & W, J. Gielen, voor de afschaffing van de rijksinstelling die nog geen drie jaar daarvoor in het leven was geroepen om historisch onderzoek te verrichten naar de Tweede Wereldoorlog. Hij – en minister van Financiën Lieftinck met hem – vond het RIOD een te grote financiële belasting in een tijd dat alle zeilen moesten worden bijgezet voor de wederopbouw. Maar een meerderheid van de landsbestuurders dacht daar anders over – voor hen lag de oorlog nog te vers in het geheugen.

Het RIOD liftte lange tijd mee op de bekendheid van zijn eerste directeur, Loe de Jong, die zou uitgroeien tot de bekendste historicus in de Nederlandse geschiedenis. Zijn 14-delige standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog – dat tussen 1969 en 1991 gepubliceerd werd – behaalde ongekend hoge verkoopcijfers. Alhoewel het RIOD ook na zijn vertrek spraakmakende onderzoeken bleef produceren, zoals het in 1999 verschenen rapport van Gerard Aalders over de ontvreemding van joods bezit, leek het instituut zijn beste tijd te hebben gehad.

De huidige directeur, J.C.H. Blom, heeft de aanbevelingen van de commissie-Kossman ter harte genomen. Onder het kopje `lopend onderzoek' op de NIOD-website wordt onder meer een dissertatie over `de Japanse bezetting van Java en Sumatra (1942-1945) als culturele interactie tussen de Japanse bezetters en de Indonesische maatschappij' aangekondigd. Ook het woensdag gepresenteerde Srebrenica-rapport wijkt in meerdere opzichten af van eerdere NIOD-publicaties. Niet alleen is het onderzoek internationaler van opzet, maar ook breder. Voor het eerst in de geschiedenis van het NIOD komt de Tweede Wereldoorlog er niet aan te pas.

Of het NIOD met het Srebrenica-onderzoek weer op de kaart staat moet volgens menigeen nog blijken. Hier en daar wordt geopperd dat het instituut zichzelf met deze opdracht in de nesten heeft gewerkt: goede historici zijn nog geen goede rechercheurs. Zoals Frans Smits, hoofdredacteur van het Historisch Nieuwsblad daags voor de verschijning van het rapport in deze krant opmerkte: ,,Als pers en publiek dit rapport slecht ontvangen, is dat een ramp voor het NIOD en voor Blom.''