Nationale zelfreflectie

Men kan schamper doen over het eigenaardige Nederlandse moralisme, soms niet zonder reden, als dat moralisme ontaardt in (schijn)heiligheid, gepreek, gezever en nierenproeverij. Toch is dat veelgesmade moralisme mij vele malen liever dan de cynische benadering waarin geen plaats is voor ethische overwegingen en al helemaal niet voor zelfreflectie.

In andere landen, met name als het grote mogendheden zijn, laten politici en publiek het doorgaans liever bij een berustende constatering over gedane zaken, die geen keer nemen. Nederland greep het NIOD-rapport over Srebrenica aan om massaal aan het moraliseren te slaan. Zelfrechtvaardiging en zelfkastijding horen daar alle twee bij.

Verongelijktheid en verwijten strijden om de voorrang. Twee zielen vechten in onze borst.

Ik heb inmiddels een paar honderd van de vijfduizend pagina's van het rapport gelezen. Er zal wel van alles op aan te merken zijn, maar voorlopig heeft de lectuur me vervuld van ontzag voor een magistraal werkstuk. Had ik een petje, ik nam het af voor professor Blom en zijn medewerkers. Tenzij ik me waanzinnig in de luren laat leggen, hebben we hier te maken met een gedegen en afgewogen wetenschappelijk onderzoek, met grote toewijding verricht.

Zo gaat een democratische samenleving om met vuile was. Het is des te aangenamer dit te kunnen zeggen, omdat ik van het begin af aan mijn twijfel heb geuit over de intenties van dit onderzoek: was het geen tactische manoeuvre van de regering om aan een parlementaire enquête te ontkomen, was het geen doekje voor het bloeden, liet het NIOD zich niet misbruiken om politieke verantwoordelijkheden af te dekken? Het valt ook achteraf allemaal niet uit te sluiten, maar de hoofdzaak lijkt me toch dat het materiaal en de analyses van het NIOD-onderzoek de samenleving in de gelegenheid stellen om met zichzelf in het reine te komen. Voor deze conclusie volstaat een vergelijking met het, weliswaar uiterst kritische, maar vooral uiterst beknopte rapport dat de Verenigde Naties hebben opgesteld over de internationale militaire interventie in Bosnië. Frankrijk heeft zich er met een beperkt en onvolledig parlementair onderzoek, met de Franse slag, vanaf gemaakt.

Vergelijk dit onderzoek trouwens ook eens met de even schamele als beschamende manier waarop de Nederlandse oorlogsmisdaden tijdens de koloniale oorlog in Indonesië zijn afgehandeld. Ze zijn onder het tapijt geveegd, niemand is ter verantwoording geroepen, terwijl de historische schuld voor deze, eufemistisch als excessen aangeduide, misdaden van een andere, onvergelijkbaar zwaardere orde was dan het falen in Srebrenica.

In de reacties op het NIOD-rapport klonken niettemin verbitterde stemmen omdat het niet het karakter van een politieke afrekening draagt. Balkenende en Rosenmöller konden niet verbergen hoe het hun speet dat niet het hoofd van premier Kok op een presenteerblaadje aan de oppositie werd aangeboden. Alsof het CDA en GroenLinks niet altijd hun instemming met de uitzending van Dutchbat hebben betuigd en niet in het parlement de medeverantwoordelijkheid hebben gedragen. Het doet onaangenaam aan Balkenende weer eens te horen fulmineren tegen `de sorrydemocratie van Paars'. Ook Rosenmöller sleepte `Paars' erbij.

Had de regeringssamenstelling verschil uitgemaakt? Waren Lubbers, Van den Broek en Kooijmans paars? Was het een paars feestje met Dutchbat in Zagreb waaraan GroenLinks deelnam? Pogingen verkiezingswinst te halen uit Srebrenica getuigen niet van gevoel voor de aard van de tragedie. De politieke conclusies moeten nog worden getrokken – primair door de minister van Defensie met het oog op de cover-up der generaals. Maar ook de oppositie heeft de plicht tot zelfreflectie, evenals ministers, diplomaten en generaals.

Hetzelfde geldt voor journalisten. Daarom heb ik met extra aandacht de aan het NIOD-rapport toegevoegde deelstudie `Srebrenica en de journalistiek' van de communicatiedeskundige Jan Wieten gelezen. Voor zover hij algemene beschouwingen ten beste geeft, is de studie teleurstellend. ,,Nieuwsmedia, waar ook ter wereld, hebben veel gemeenschappelijks'' (daar kijk ik van op) en de invloed van de massamedia is ,,zowel groot als zeer beperkt'' (daar hebben we iets aan).

Interessanter is de vraag van Wieten ,,hoe terughoudend journalisten zouden behoren te zijn in het gebruiken van de hun ten dienste staande middelen tot opinievorming''. Journalisten tonen soms ,,een hoge mate van persoonlijke betrokkenheid''. Als voorbeeld noemt hij twee opiniestukken van buitenlandredacteur Peter Michielsen en mij eind 1991 in deze krant en van Anet Bleich en Ewoud Nysingh in de Volkskrant. Hij noemt ze een `emotioneel appèl' om de onverschilligheid over het grote moorden in ex-Joegoslavië te doorbreken.

Persoonlijke betrokkenheid is volgens mij niet verkeerd en zelfs noodzakelijk, mits een duidelijke scheiding tussen opinie en berichtgeving in stand wordt gehouden. Verhoudingsgewijs besteedt de communicatiedeskundige naar mijn smaak te weinig aandacht aan de kwaliteit van de nieuwsvoorziening en te veel aan de teneur van redactionele commentaren en opiniërende artikelen. ,,Een oppositionele benadering is van de media zeker in tijden van grote maatschappelijke consensus (zoals hier ten tijde van de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië) nauwelijks te verwachten'', schrijft hij. Iets om te overdenken. Moeten journalisten `oppositioneel' zijn? Of volstaat `kritisch en onafhankelijk'?

Het NIOD constateert dat de publieke opinie, de politieke partijen en de media ten tijde van de uitzending van Dutchbat unaniem vonden dat ingrijpen van de internationale gemeenschap een morele plicht was. Alleen, de regering was te gretig, zij overschatte in haar dadendrang de mogelijkheden tot effectieve bescherming van de bevolking van Srebrenica. Achteraf zou je kunnen zeggen dat idealisme de overhand had boven realisme, zowel bij de politieke besluitvorming als in de opinievorming in de media. Tegenover de mening: ,,zet een hek om voormalig Joegoslavië en laat ze elkaar maar uitmoorden'' stond en staat de opvatting dat etnische zuiveringen, genocide en andere misdaden tegen de menselijkheid verplichten tot ingrijpen, maar dan wel effectief.

Uiteindelijk draait het Nederlandse Srebrenica-trauma om morele keuzen in de buitenlandse politiek. Het NIOD vat dit dilemma – wel of geen interventie – prachtig samen in het Amerikaanse adagium: ,,Damned if you do, damned if you don't.''