Luchtsteun aanvragen via de cryptofax

De procedures voor luchtsteun waren zeer ingewikkeld. Verschillende aanvragen kwamen niet voorbij Tuzla, of strandden in Sarajevo.

Iedereen wist het: Srebrenica was niet te verdedigen. De enclave lag in een dal, dat werd omringd door bergachtig terrein. De hoogten werden beheerst door de Vojska Respublika Srpska (VRS), het Bosnisch-Servische leger, dat beschikte over het volledige arsenaal uit de depots van de Joegoslavische Volksrepubliek: luchtdoelgeschut, raketwerpers, houwitsers en zelfs een enkele bejaarde tank. In het dal zat, behalve tienduizenden vluchtelingen, de officeel `gedemilitariseerde' 28ste divisie van de Armija Bosna i Hercegovina (AbiH) het Bosnische regeringsleger, een zooitje ongeregeld waarvan de soldaten vaak niet eens beschikten over een eigen geweer.

Tussen de partijen hadden de militairen van Dutchbat een dunne witte lijn van observatieposten getrokken. Vanuit deze `OP's' zagen de Nederlandse militairen er op toe dat beide partijen zich aan de bestandslijn hielden. Deterence by presence, in VN-jargon. Tegen de zwaarbewapende Serviërs waren de lichtbewapende Duchtbatters met hun opzichtige blauwe helmen en hun witgeschilderde pantserwagens kansloos. Alleen luchtsteun door NAVO-vliegtuigen zou soelaas kunnen bieden.

Ondanks tal van aanvragen van Dutchbat-commandant Karremans werd slechts een gerichte luchtaanval uitgevoerd, op 11 juli, door Nederlandse F-16's. Op dat moment stonden de Bosnische Serviërs al in de buitenwijken van Srebrenica. De luchtsteun kwam dus te laat, en was te gering om verschil te maken. In veler ogen was de hoogste VN-commandant Bernard Janvier hier debet aan. De Franse generaal zou op op de avond van de tiende juli te lang hebben geaarzeld het luchtwapen in te zetten. Volgens een breed gedragen samenzweringstheorie was dit het gevolg van een geheime afspraak tussen Janvier en de Bosnisch-Servische generaal Mladic. Na grootscheepse luchtaanvallen op de Servische stelling bij Pale in mei 1995 hadden de Serviërs honderden VN-militairen in gijzeling genomen. In ruil voor vrijlating zou Janvier op 4 juni 1995 Mladic hebben beloofd geen air strikes (massale luchtaanvallen) meer uit te voeren.

De twijfels over een mogelijk dubieuze Franse rol leidden in Frankrijk tot een parlementair onderzoek. De Mission d'information commune sur les événements de Srebrenica kwam vorig jaar tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor het `herenakkoord'. Een minderheid van de onderzoekscommissie liet echter aantekenen dat er evenmin aanzijzingen zijn voor het tegendeel.

Het NIOD is stelliger. Volgens Srebrenica, Een `veilig' gebied houdt de ,,hypothese'' over de deal Janvier-Mladic ,,bij kritische beschouwing'' geen stand. Zo was het overduidelijk dat de VN geen luchtaanvallen meer konden uitvoeren zolang er nog gijzelaars in Servische handen waren. Ook daarna bleef de inzet van het luchtwapen riskant als VN-personeel, zoals Dutchbat, op geïsoleerde posten zat. Na de mislukte air strikes en de gijzelaarscrisis van mei 1995 werden de procedures voor de inzet van het luchtwapen door de VN aangescherpt. Air strikes waren sindsdien in de praktijk uitgesloten. Beperkte luchtaanvallen, close air support, waren wel mogelijk, maar gebonden aan een groot aantal beperkende voorwaarden. Zo mochten alleen zogenaamde smoking guns, Servische eenheden die direct vuurden op VN-personeel, worden aangevallen. Daar kwam nog eens bij dat de NAVO voorzichtiger was geworden met haar operaties boven de Balkan na het neerschieten van een Amerikaanse F-16. Voortaan waren bij elke actie vliegtuigen nodig voor het onderdrukken van de Servische luchtafweer. Dat maakte de reactietijd langer en de luchtaanvallen minder effectief. Bovendien zou het grote aantal vliegtuigen dat nodig was om slechts enkele F-16's boven het doel te krijgen tot verwarring leiden bij Dutchbat met gevolgen.

De procedures voor luchtsteun waren buitengewoon ingewikkeld. Een correct ingevuld aanvraagformulier voor close air support moest per cryptofax worden verstuurd naar het hoofdkwartier van de sector Noord-Oost in Tuzla. Daar werd de aanvraag beoordeeld en doorgestuurd naar het hoofdkwartier van UNPROFOR in Sarajevo. De commandant van UNPROFOR voorzag de aanvraag van een advies, dat naar Zagreb werd gestuurd, het hoofdkwartier van alle VN-troepen in voormalig Joegoslavië. Gaf VN-commandant Janvier toestemming, dan was nog de goedkeuring van de speciale vertegenwoordiger van de VN, Akashi, nodig. Pas na een definitief groen licht van de VN in New York kon de aanvraag naar CINCSOUTH, het NAVO-hoofdkwartier in Napels.

In de deze buitengewoon lange bevelslijn werden belangrijke posities ingenomen door hoge Nederlandse officieren. In Tuzla was kolonel Charles Brantz bij afwezigheid van de Noorse generaal Haukland de senior officer. In Sarajevo werden aanvragen voor luchtsteun beoordeeld door chef-staf Cees Nicolai, omdat UNPROFOR-commandant Smith en zijn Franse plaatsvervanger Gobillard afwezig waren. In Zagreb werd Janvier geadviseerd door de Nederlandse chef-staf, generaal Kolsteren. ,,Veel van de besluitvorming speelde zich rond de enclave dus af in een Nederlandse cirkel'', schrijft het NIOD. Verschillende aanvragen tot luchtsteun kwamen niet voorbij Tuzla, of strandden in Sarajevo. Generaal Nicolai keurde persoonlijk enkele aanvragen af.

Pas op 10 juli bereikte de eerste aanvraag voor luchtsteun generaal Janvier. De Franse generaal aarzelde totdat de invallende duisternis verder luchtaanvallen onmogelijk maakten. Op de ochtend van de val de enclave bleef luchtsteun echter óók uit. Karremans had van kolonel Brantz in Tuzla te horen gekregen dat die ochtend de lucht ,,zwart zou zien'' van vliegtuigen, en deed niets. In Zagreb wachtte men tevergeefs op een nieuwe aanvraag van Dutchbat. Pas toen het misverstand was opgehelderd, kon de hele procedure opnieuw in gang worden gezet. Even na half drie gooien Nederlandse F-16's bommen af. Na Servische dreigementen werd de luchtoperatie kort daarop afgeblazen.

Het NIOD heeft een uitgebreide analyse gedaan van het misverstand over de luchtsteun. De conclusie: Brantz en Karremans waren onvoldoende op de hoogte van zowel de procedure als de politieke en praktische voorwaarden. Zo interpreteerde Brantz de opdracht van Zagreb aan Karremans om een lijst met mogelijke aanvalsdoelen op te stellen als een teken dat er`massale' luchtaanvallen zouden volgen. Ook het aantal vliegtuigen dat in het luchtruim zou verschijnen dertig zette zowel Brantz als Karremans op het verkeerde been: de landmachtofficieren wisten niet dat de meerderheid van deze luchtarmada nodig was voor ondersteuning. Dat air strikes na de mislukte operatie van mei niet eens een optie waren, onttrok zich al helemaal aan het voorstellingsvermogen van de Nederlanders.

Het NIOD maakt geen groot punt van het misverstand in het oordeel over Karremans. Karremans lijkt ,,tijdens de aanval op de enclave geen al te grote fouten'' te hebben gemaakt.