Leeuwentemmers

Vorige week stond in deze bijlage het deerniswekkende verhaal van een mevrouw die had besloten in het onderwijs te gaan werken. Een zij-instromer. Zij werd zomaar ineens voor de leeuwen geworpen en dat heeft haar bepaald geen goed gedaan. Na een paar maanden al was ze compleet afgebrand; inmiddels is ze al langer ziek dan ze er heeft gewerkt. De leeuwen bevonden zich op een school in Almere, afdeling vmbo, voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs.

Voor iedereen die gaat lesgeven is de eigen onderwijservaring richtinggevend. Je hebt zelf leraren gekend die je meer of minder interessant vond. Daaruit leid je het beeld af van de goede leraar die iedereen die gaat lesgeven nu eenmaal probeert te zijn. Dat betekent dat je referentiepunt is het type school en de jongerencultuur zoals jij die indertijd als leerling hebt gekend.

Dat veranderen van die cultuur gaat snel. Studenten uit de lerarenopleiding verbazen zich er altijd over hoeveel er op dit punt is veranderd in de paar jaar tijd sedert zij van school kwamen. Dat is dus even wennen. Dat geldt voor die studenten, dat geldt dus helemaal voor de zij-instromer die niet een jaar of vier maar een jaar of twintig geleden de school heeft verlaten. Die komt in een compleet andere wereld. De kloof tussen eigen schoolbeleving en de wereld van de leerlingen wordt nog eens extra vergroot wanneer, zoals hier, sprake is van verschil in schooltype. Zelf heb je havo of vwo gedaan en dan tref je in het vmbo zwakkere of minder gemotiveerde leerlingen met ook nog eens een andere sociale achtergrond dan je gewend bent. Daarnaast speelt nog iets heel anders.

Tot voor enkele jaren was er een overschot aan leraren. Beginnende leraren moesten daardoor met ieder baantje genoegen nemen. Dus ook met een aanstelling aan een lager type onderwijs dan waarvoor ze bevoegd waren. Dankzij de economische boom van de laatste jaren heeft dat overschot inmiddels in andere sectoren onderdak gevonden. In het voortgezet onderwijs is momenteel sprake van een massale uitstroom van oudere leraren naar pensioen en van jongere leraren naar banen in andere sectoren. Daardoor krijgen de leraren die in het verleden noodgedwongen hun heil hadden gezocht in lagere sectoren nu eindelijk de kans om door te stromen naar hogere schooltypen zoals havo en vwo. Dat willen ze graag omdat de leerlingen daar het meest gemotiveerd zijn en ze daar ook met hun vak iets kunnen doen. Beginnende leraren komen dus vooral terecht in het vmbo, de laagste vorm van onderwijs met veelal weinig gemotiveerde leerlingen. Dit type onderwijs sluit al lang niet meer aan bij wat een deel van die leerlingen wil en kan. Dat deel is, hoe klein soms ook, groot genoeg om er het werken onmogelijk te maken.

Het is treurig dat de politiek weigert om dit laatste te onderkennen en het is onbegrijpelijk dat scholen doorgaan met mensen daar kapot te laten gaan. Als u denkt dat ik overdrijf, moet u de bijlage van vorige week er nog eens op naslaan.

Ik verbaas me er al jaar en dag over dat er niets wordt ondernomen om een vorm van onderwijs te ontwikkelen die aansluit bij deze, overigens beperkte, categorie leerlingen. Nu het steeds moeilijker wordt mensen te vinden die bereid zijn om als een soort van leeuwentemmer leerlingen in hun hok en van de straat te houden zal het er toch eens van moeten komen. Dat het nog steeds niet zover is hebben we te danken aan onze onvolprezen nieuwe Minister van Staat wiens geest al jaar en dag het denken over onderwijs ernstig vertroebelt.

prick@nrc.nl