Joyce forever

Academisch gedweep met `Ulysses' heeft het zicht ontnomen op een roerende verhaal dat uitdagend en humoristisch is aangekleed, stelt Pieter Steinz in zijn stoomcursus literatuur.

Misschien is dit niet de toepasselijkste dag voor de publicatie van de literaire stamboom van Joyce' Ulysses. De beroemdste roman van de twintigste eeuw, over de Dublinse omzwervingen van de advertentieverkoper Leopold Bloom, speelt zich af op 16 juni 1904, een dag die door de fans jaarlijks herdacht wordt als `Bloomsday'. Maar 16 juni valt dit jaar op een zondag en er is een goede reden om Joyce juist vandaag in het zonnetje te zetten: de verschijning van de eerste Nederlandse vertaling van het ooit zelfs onleesbaar geachte Finnegans Wake (1939), door Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet.

In Finnegans Wake, `een verbale orgie' (Boeken 12-4-02) waarin ternauwernood het verhaal van een kasteleinsgezin in Dublin valt te ontdekken, verlegde de Wandelende Ier James Joyce de grenzen van de roman tot een punt waar geen schrijver eerder geweest was. Hij had dat al eerder gedaan: in zijn autobiografische ontwikkelingsroman Portrait of the Artist as a Young Man, die onder meer verteld wordt in peuter-, kleuter- en pubertaal; en vooral in Ulysses (1922), waarin hij de techniek van de `stream of consciousness' (de zo getrouw mogelijke weergave van het menselijk denken) vervolmaakte en experimenteerde met alle mogelijke literaire stijlen. De 18 hoofdstukken van Ulysses herschrijven niet alleen met een knipoog de boeken van Homerus' Odysseia, maar etaleren ook telkens een andere (literaire) techniek – van de fuga (het `Sirenen'-hoofdstuk, dat zich in een bar afspeelt) tot de hallucinatie (het `Circe'-hoofdstuk in het bordeel).

Academici zijn er dol op, en hebben over de 260.000 woorden van Joyce bibliotheken volgeschreven; met als gevolg dat Ulysses een van de hoogdrempeligste boeken uit de wereldliteratuur is geworden. Dat is jammer, want op een paar duistere passages na – en om te beginnen in de mooie vertaling van Paul Claes en Mon Nys (1994) – is Ulysses ook te lezen als een roerend verhaal over een Dublinse elckerlyc die worstelt met de dreigende ontrouw van zijn vrouw en aan het eind van de dag een surrogaat vindt voor de zoon die hij ooit heeft verloren. Sommige hoofdstukken, bijvoorbeeld het in stuiversromanstijl geschreven `Nausicaa', zijn zo klaar als een klontje; en wie eenmaal gewend is aan de (inmiddels alom ingeburgerde) stream of consciousness kan zonder problemen genieten van het beroemdste hoofdstuk uit het boek, `Penelope', waarin Blooms vrouw Molly (niet zo trouw als haar mythologische voorbeeld) vóór het slapengaan in een lange innerlijke monoloog haar/het leven overdenkt.

Ulysses is zo'n boek dat bij iedere herlezing (en dat kan ook heel goed per hoofdstuk) nieuwe ontdekkingen oplevert. Dat kan een woordspeling zijn, een grap (Joyce' vrouw Nora vertelde dat vanuit de schrijfkamer van haar man regelmatig lachbuien klonken), een verwijzing naar een van Joyce' literaire voorbeelden, of een geheimzinnig personage dat in verschillende hoofdstukken terugkomt. En als je Ulysses eenmaal uit hebt, zie je het als een soort oerboek terug in vele grote titels uit de wereldliteratuur: in Mrs Dalloway van Woolf, in Under the Volcano van Lowry, in De Kapellekensbaan van Boon; maar ook in een taalgek experiment als Exercices de style van Raymond Queneau. Beschouw dat maar als een bonus voor de onvervaarde lezer.

Pieter Steinz: ps@nrc.nl