Het mooiste beroep

Kinderen die hun jongste jaren grotendeels in de crèche doorbrengen, ontwikkelen zich mogelijk slechter dan kinderen die deze tijd vooral thuis zijn, poneerde de kersverse Nijmeegse hoogleraar ontwikkelingspsychologie Marianne Riksen in haar oratie. Het debat dat zij hiermee ontketende gaat over een belangrijke afbakening tussen individueel en collectief in het gezinsleven. De laatste jaren wordt vooral gediscussieerd over verdere collectivisering van de opvoeding, zoals invoering van leerplicht voor vierjarigen en uitbreiding van de mogelijkheden voor kinderopvang.

Een eeuw geleden woedde ook zo'n collectiviseringsdebat over aspecten van het gezinsleven. Toen ging het over de was en over het bereiden van maaltijden. Inrichting van collectieve keukens en wasserijen zouden de taak van arbeidersvrouwen aanzienlijk kunnen verlichten, meenden feministische en socialistische hervormsters als Hélène Mercier en Wilhelmina Drucker. Arbeidersvrouwen hadden, net als veel hedendaagse vrouwen, immers een dubbele belasting: hun baan én hun huishouden. Huisvrouwen in de moderne zin van het woord bestonden nauwelijks. Vrouwen uit de gegoede burgerij konden zich weliswaar veroorloven niet buiten de deur te werken, maar zij hadden een dienstbode voor de meeste huishoudelijke klussen.

Het bleef niet bij debat. Met name in de grote steden zijn talloze collectieve huishoudarrangementen gerealiseerd. Sommige daarvan hebben het tientallen jaren uitgehouden. De verhalen hierover figureren in het vierde deel van de serie `Techniek in Nederland in de twintigste eeuw'. Ze gaan over politiek, over emancipatie, over tijdsbesteding, maar ook over apparaten en hoe ze gebruikt werden, over fabrikanten en hun marktpercepties, en over infrastructuur als stromend water en elektriciteit.

In een gemeentelijk washuis, zoals in de Amsterdamse jodenbuurt, konden vrouwen tegen betaling de was laten doen met moderne machines die ze zich zelf nooit zouden kunnen veroorloven en waarvoor ze thuis ook geen plaats hadden. In de Coöperatieve Volkswasscherij in Den Haag konden vrouwen aan het begin van de eeuw strijken met de toen hypermoderne en zeer comfortabele gasstrijkijzers: ze konden zonder oponthoud doorstrijken en de temperatuur was eenvoudig met een gaskraantje te regelen.

noodkeuken

Ook de collectieve keukens die aan het begin van de twintigste eeuw in diverse steden werden geopend werkten met de nieuwste technieken: efficiënte fornuizen, koelapparatuur en sterilisatie-installaties. Ze versterkten de positie van de opkomende klasse van huishoudprofessionals, de leraressen aan de huishoudscholen, en vormden de proefstations voor de nieuwe huishoudtechnologie. De grondstoffenschaarste tijdens de eerste wereldoorlog vormde een verdere stimulans voor de collectieve keukens. In 1916 leverde de Amsterdamse centrale noodkeuken 180.000 warme maaltijden per dag.

Maar over zulke instellingen bestond grote politieke verdeeldheid. Zelfs de socialistische vrouwen stonden er niet onvoorwaardelijk achter: in het buitenland signaleerden ze dat de centrale keukens vooral dienden om de goedkope vrouwenarbeid voor de munitiefabrieken te behouden. Het gebrek aan politieke steun holde het organisatorisch kader van de centrale keukens op den duur uit.

Na de eerste wereldoorlog begon een nieuwe generatie huishoudelijke apparaten aan een opmars in de gezinshuishouding. Een belangrijke motor daarvoor vormden de elektriciteits- en gasmaatschappijen, die om hun afzet te vergroten demonstraties verzorgden van allerlei nieuwe apparaten, die ze veelal ook tegen financieel gunstige condities verkochten of verhuurden. Desalniettemin hebben kapitaalintensivering en collectivisering van de gezinshuishouding als strategieën decennia lang naast elkaar bestaan. In beide speelden vrouwelijke professionals, onder meer van de Nederlandse Vrouwen Electriciteits Vereeniging en de Nederlandse Vereeninging van Huisvrouwen, een belangrijke rol.

In de jaren dertig werd het huisvrouwenbestaan nastrevenswaardig voor de lagere middenklasse. Zij konden zich daarmee onderscheiden van de arbeidersvrouwen, voor wie een baan buitenshuis financiële noodzaak was. Het verenigingsleven speelde voor deze nieuwe huisvrouwen een belangrijke rol. Zodoende was het opkomende huisvrouwenbestaan niet alleen verbonden met sociale stijging, maar ook met emancipatie.

Wat in de jaren dertig nog een keuze van een voorhoede was, werd na de oorlog een gedwongen standaard. Tegelijk werd de taak van huisvrouwen aanzienlijk zwaarder, onder meer door rantsoenering en hoge tarieven van elektriciteit en voedsel. Door uitsluiting van vrouwen van de arbeidsmarkt waren veel gezinnen genoodzaakt rond te komen van één inkomen, hoewel ze zich dat eigenlijk nauwelijks konden veroorloven. Huisvrouw was geen relatief luxe bestaan meer, maar vergde twaalf tot veertien uur per dag werk. Tot ver in de jaren vijftig werd in Margriet geklaagd over vermoeidheid. De handige apparaten kwamen voor velen pas in de jaren zestig.

Net als een eeuw geleden is het collectiviseringsstreven nu verbonden met emancipatie en modernisering. Uitbesteding van (een deel van) de opvoeding van kinderen moet de carrièremogelijkheden van vrouwen verbeteren. Toch is er van de collectivisering van het huishouden ondanks alle emancipatie ogenschijnlijk niets terecht gekomen. Huizen werden groter, apparaten als fornuizen en wasmachines zo eenvoudig te bedienen en zo goedkoop dat de praktische betekenis van de discussie over collectivisering van koken en wassen verdween.

Zo hóeft het echter niet te gaan. Moderne naaimachines kunnen alles, maar ze worden steeds minder verkocht en gebruikt. Het maken van kleding is in hoge mate gecollectiviseerd, zonder dat daar veel maatschappelijk debat bij te pas is gekomen. En bij nader inzien vindt een steeds groter deel van de bereiding van voedsel ook buiten de deur plaats. Gekoeld, diepgevroren of anderszins geconserveerd vinden halffabrikaten hun weg naar het huishouden. Dat kan, omdat daar inmiddels apparaten als koelkasten en vriezers een plaats hebben gevonden. Het is een belangrijke verdienste van dit boek dat het inzicht biedt in de samenhang tussen grote maatschappelijke ontwikkelingen als vrouwenemancipatie en individualisering, en de veel minder in algemene geschiedwerken beschreven ontwikkeling van apparaten, grondstoffen en infrastructuur. Rest de vraag: waar blijft de opvoedmachine?

J.W. Schot e.a. (red.), Techniek in Nederland in de twintigste eeuw - Deel IV: Huishoudtechnologie en medische techniek. Walburg Pers, Zutphen. ISBN 90.5730.067.2, 349 blz. prijs: €39,95.