Deskundige in wreedheid en verdriet

Helena Ranta (55) leeft met de dood. De Finse tandarts onderzocht de lijken in het Kosovaarse dorp Racak, massagraven bij Srebrenica, en straks gaat ze misschien naar Israël. Haar eigen gevoelens moet ze nog analyseren, zegt ze. `Ik zal moeten nagaan hoe ik heb overleefd.'

In de tuin van het huis van Helena Ranta, in het zuid-westen van Finland, groeit een gulden sleutelbloem. Het plantje komt uit Racak, een dorp in Kosovo. In 1999 werden daar de lijken gevonden van vijfenveertig Albanezen. Helena Ranta leidde het team van forensische experts dat de lijken onderzocht, haar medewerkers namen de plant voor haar mee. Sleutelbloemen bloeien in de zomer, maar die van Helena Ranta bloeide dit jaar opeens ook in februari. Het was in de week dat voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag het proces begon tegen ex-president Slobodan Miloševic. ,,Als je bijgelovig bent'', zegt Helena Ranta, ,,zou je er wat van denken.''

In de aanklacht tegen Miloševic staat Racak bovenaan de lijst van dorpen in Kosovo waar Albanezen werden gedood door Servische troepen. Afgelopen week verscheen in de rechtszaal de eerste getuige over de aanval op het dorp, een Britse generaal die OVSE-waarnemer was in Kosovo. Maar de aanklagers hebben veel meer dan verklaringen van getuigen. Ze hebben autopsierapporten, foto's, röntgenfoto's en videobeelden van de lichamen, en een verslag van wat de Finse experts hebben ontdekt toen ze met schepjes, lepels en metaaldetectoren iedere centimeter onderzochten van de grond waar de lijken waren gevonden.

Niets in de aanklacht werd zo uitvoerig onderzocht als de dood van de Albanezen in Racak. Het bloedbad maakte veel indruk op het westen, het was drie jaar geleden mede aanleiding voor het begin van de NAVO-aanval op Joegoslavië. Maar er was ook twijfel over. Franse kranten hadden geschreven dat de massamoord in scène was gezet. Volgens de regering in Belgrado waren ,,enkele tientallen'' Albanezen van het Kosovo-bevrijdingsleger UÇK omgekomen in een gevecht met Servische troepen. Drieëntwintig lijken zouden later in een greppel buiten het dorp zijn gelegd, waardoor het was alsof ze door Serviërs waren geëxecuteerd.

Helena Ranta is tandarts en moleculair bioloog. In 1991 specialiseerde ze zich in forensische odontologie, ze identificeert dodelijke slachtoffers van misdrijven en ongevallen door hun gebit te onderzoeken. Ze is docent en coördinator van het rampenidentificatieteam op de universiteit van Helsinki. In 1994 identificeerde ze passagiers van de gezonken veerboot Estonia. Ze onderzocht massagraven van Finse soldaten in Rusland die in de Tweede Wereldoorlog waren omgekomen, en van moslims in Bosnië. Op verzoek van Rusland analyseerde ze in 1996 röntgenfoto's van twee vrouwen en een man die zeiden dat ze nakomelingen waren van tsaar Nicolaas de Tweede. Zelf vond ze die opdracht nauwelijks interessant. Ze kwam er wel mee op de Finse televisie en CNN. Maar echt bekend werd ze pas door haar onderzoek van de lijken in het Kosovaarse dorp.

Deze zomer wordt Helena Ranta zesenvijftig. Ze zou voor een deel van de week met vervroegd pensioen kunnen gaan. Maar het Joegoslavië-tribunaal wil graag dat ze onderzoek blijft doen. Er zijn massagraven in Tsjetsjenië die ze misschien zal gaan bekijken. De katholieke kerk in Kameroen vroeg haar advies over forensisch onderzoek. En de president van Peru, Alejandro Toledo, heeft gevraagd of ze forensische experts van zijn `waarheidscommissie' wil leren hoe ze massagraven moeten onderzoeken. In Latijns Amerika zijn er genoeg pathologen en antropologen die daar ervaring mee hebben, maar Toledo wilde het team van Helena Ranta – die zou `onafhankelijk' zijn.

Internationale organisaties voor mensenrechten hadden haar gevraagd of ze dit weekend naar Israël wilde gaan. Bij de Palestijnse stad Jenin op de Westelijke Jordaanoever zijn massagraven ontdekt. De bedoeling zou vooral zijn dat de internationale gemeenschap laat zien – door een van de meest bekende forensische onderzoekers te sturen – dat mogelijke misdaden van Israël onderzocht moeten worden. Ze gaat nog niet, het is te gevaarlijk.

Helena Ranta geldt nu ook als deskundige in wreedheid en verdriet. Ze is uitgenodigd om op een filosofiecongres in Finland te spreken over `het gezicht van het kwaad'. Ze zal die lezing beginnen, zegt ze, met een herinnering uit maart 1996. Ze was in de heuvels bij Srebrenica, in het oosten van Bosnië. Daar lagen lijken van moslims die de zomer ervoor waren afgemaakt door Bosnisch-Servische eenheden. Wat ze toen zag, zal ze zeggen, was het gezicht van het kwaad. Half vergane, aangevreten lichaamsdelen, schoenen, kleren, papieren.

Maar in maart 1996 dacht ze daar nog helemaal niet aan. Ze dacht niet eens: wat afschuwelijk. ,,Mijn belangrijkste zorg was onze auto die vastzat in de sneeuw. Ik dacht: hoe komen we hier weg?'' Helena Ranta was voor het eerst in een gebied waar was gevochten. Van de Balkan wist ze bijna niks, en de oorlog in Bosnië had ze jarenlang ,,te ingewikkeld'' gevonden. In de week dat Srebrenica werd veroverd was ze met vakantie in Praag. ,,Het betekende niets voor mij, ik was er nooit geweest. Ik was met mijn privé-leven bezig.'' Ze was net gescheiden, na een huwelijk dat vijfentwintig jaar had geduurd, en ze was een nieuwe flat aan het inrichten. De Finse Elisabeth Rehn, in die tijd VN-rapporteur voor de mensenrechten in ex-Joegoslavië, vroeg of Ranta onderzoek wilde doen in Bosnië. Ze ging, zegt ze, ,,met het zelfvertrouwen van een onwetende''. Toen ze in 1996 met een Russisch militair vliegtuig een tussenlanding maakte in de Kroatische stad Split, dacht ze dat ze in Sarajevo was. ,,Ik weet nog dat ik dacht: het valt mee.''

Nu heeft Helena Ranta thuis een rij boeken over ex-Joegoslavië, en over internationaal recht, genocide, verkrachtingen, groepsgedrag. Ze zegt: ,,Ik analyseer, ik zoek naar logica. De meeste mensen raken in verwarring door geweld. Ik niet. Ik kan ermee omgaan.''

Begin dit jaar was ze in Kameroen. Ze bezocht massagraven in de buurt van de stad Douala. Daar lagen slachtoffers van een speciale eenheid van het leger en de politie. De eenheid had opdracht gekregen een eind te maken aan de criminaliteit in de stad. Duizenden verdachten waren gearresteerd en gemarteld, of ze verdwenen. Priesters in het land wilden van Helena Ranta horen hoe die misdaden onderzocht konden worden. Ze praatte met familieleden van slachtoffers en ze was in een gevangenis. Het was er vies en vol. Gevangenen vertelden over martelingen en executies, ze lieten haar hun wonden zien. Er zaten soms nog kogels in hun lichaam, medische verzorging was er niet. ,,Ik dacht'', schreef ze in een e-mail toen ze net terug was, ,,dat ik alles wel had gezien en meegemaakt. Deze missie bewees dat dat ik ongelijk had. Ik wou dat ik niet was gegaan.''

Maar wat was er nou zo moeilijk geweest? Drie maanden later, in haar werkkamer op de universiteit van Helsinki, zegt ze: ,,Ik voelde me hulpeloos. Deze mensen leefden nog, maar ze hadden geen toekomst.'' Ze vond het ook vervelend dat ze niet aan het werk was. Ze luisterde, maar dat vindt ze geen werk. Ze zegt ook: ,,Het was nieuw voor mij. Lijken praten niet.'' Het waren niet de verhalen zelf die ze moeilijk vond. ,,Die verhalen leidden me af. Ik moest nadenken over een oplossing en ik wist dat het lastig zou worden om te onderzoeken wat er was gebeurd.''

In Bosnië had ze wel met familieleden van slachtoffers gesproken, maar niet vaak. In het Kosovaarse dorp Racak had ze contact met Albanezen zoveel mogelijk vermeden. En in Finland had ze één keer een telefoongesprek met de ouders van een jongen die ze had geïdentificeerd. De jongen was in Latijns Amerika ontvoerd en vermoord. Ze praatte met de ouders omdat de politie dat had gevraagd. Maar ze doet het liever niet. ,,Ik vind het te intiem'', zegt ze. ,,Ik wil me niet bemoeien met verdriet van mensen die ik niet ken. Het zou me ook te veel tijd kosten en het zou me te veel belasten.''

In haar huis in het dorp Åminnefors laat Helena Ranta een videoband zien van een interview dat de BBC met haar had in augustus 1999, voor het programma Hardtalk. De interviewer vraagt of ze weleens kwaad is, of verdrietig, als ze slachtoffers van geweld moet onderzoeken. En of ze weleens huilt. Ja, zegt Helena Ranta. Ze is weleens kwaad, en ze huilt soms ook. ,,Zolang ik gevoelens heb, blijf ik een mens.''

Helena Ranta was kwaad, zegt ze nu, toen ze op zaterdagavond 16 januari 1999 hoorde dat er vijfenveertig lijken waren ontdekt in het dorp Racak. Ze was in Finland, net terug van een mislukt onderzoek naar een massagraf in een ander dorp in Kosovo. ,,Ik dacht: nee, niet wéér.'' Maar de woede was verdwenen toen ze een paar dagen later terug was in Kosovo om de lichamen te onderzoeken. ,,Als ik werk, heb ik die gevoelens niet. Ik moet me concentreren. En het is niet de bedoeling dat ik een zwakke indruk maak.''

En áls Helena Ranta weleens huilt, na een missie in oorlogsgebied, is dat niet om de ellende van de slachtoffers. ,,Ik huil als de spanning te groot was, of als mensen zich naar tegen me hebben gedragen. Mijn huilen is egocentrisch, het is zelfmedelijden.'' Ze zegt dat ze zo weinig mogelijk nadenkt over wat slachtoffers die ze onderzoekt hebben meegemaakt net vóór hun dood. ,,Details sta ik mezelf niet toe.'' Ze denkt dat ze haar gevoelens over haar werk wel een keer zal moeten ,,organiseren'' en ,,analyseren''. ,,Ik zal moeten nagaan hoe ik heb overleefd.''

Ze herinnert zich dat ze op een nacht in een Kosovaars dorp door het bloed liep. Het was bloed van UÇK-strijders die daar waren omgekomen. Maar verder hebben herinneringen aan haar werk in de Balkan ,,niet veel'' te maken met geweld of verdriet, vindt ze zelf. Ze denkt nog weleens aan de `blunder' die ze maakte in Srebrenica, in 1996. Kinderen op straat vroegen of ze een foto wilde maken. Dat deed ze, en ze zei dat ze de foto zou opsturen. ,,Wat is jullie adres?'' Maar de stad lag in puin. ,,Er is geen adres'', zeiden de kinderen.

Twee keer, zegt ze, lukte het haar niet om níet na te denken over de ellende die slachtoffers hadden meegemaakt. In een vluchtelingenkamp van moslims in Bosnië was er een zwangere vrouw die zelfmoord had gepleegd. ,,Ik denk dat ze verkracht was. Naast haar lichaam voelde ik me heel klein. Het was de uitkristallisering van de tragedie.'' In Kosovo onderzocht Helena Ranta het lichaam van een vrouw die ook zwanger was geweest toen ze werd gedood. ,,Er was weinig zacht materiaal over, het lichaam was vergaan. Om de vrouw te identificeren moest ik de leeftijd van de foetus vaststellen. Dat kan het beste door te kijken naar de gebitsontwikkeling. Ik nam röntgenfoto's. Toen ik daarmee bezig was, dacht ik: waarom gebeurt dit?''

Helena Ranta heeft ,,een wat andere houding'' tegenover de dood dan de meeste mensen. ,,Meer klinisch.'' In 1997 werkte ze mee aan de repatriëring van lichamen van Finse soldaten die in de Tweede Wereldoorlog in Rusland waren omgekomen. Ze was verbaasd dat familieleden haar kwamen bedanken. ,,Ik wist van Srebrenica dat mensen het belangrijk vinden de lichamen van hun geliefden te hebben en te begraven. Maar na vijftig jaar nog?'' Ze dacht aan haar eigen vader. Die was ook bijna gesneuveld in de oorlog. ,,Ik denk niet dat ik zijn lichaam per se in Finland had willen hebben.''

Ze weet nog dat ze een nieuwe jurk droeg op de begrafenis van haar grootmoeder en dat er na de plechtigheid snoepjes waren - ze was toen negen jaar. Ze weet niet meer of ze verdrietig was. Ze herinnert zich ook niet wat ze vond van de anatomielessen tijdens haar studie. ,,Ik denk dat ik meer bezig was met wat ik 's avonds zou doen.'' Ze huilde niet toen haar moeder overleed, dertig jaar geleden, en ook niet bij de dood van haar vader, twintig jaar geleden. Haar ouders hadden kanker, door hun dood kwam er een eind aan de pijn en dat was goed. Ze huilt wel op begrafenissen die ze meemaakt, maar dat is, zegt ze, ,,omdat huilen is ingebouwd in de plechtigheid''.

Helena Ranta ziet aan levende mensen vaak meteen wat fysieke kenmerken zijn die gebruikt zouden kunnen worden bij identificatie. ,,Een opvallende kaak, oren, de neus, een spleetje tussen de voortanden, een snor. Ik herinner me een slachtoffer van de Estonia. Die had de meest bijzondere snor die ik ooit heb gezien. Groot, rood, de punten omhoog gekruld.''

Het was ,,toeval'' dat ze forensisch onderzoeker werd. Het hoofd van de afdeling forensische geneeskunde van de universiteit vroeg haar of ze zich wilde specialiseren in odontologie, en ze had tijd over in de baan die ze toen had op het ministerie van Justitie – ze was baas van de tandartsen in de Finse gevangenissen. Nu zegt ze dat ze door haar werk wil ,,bijdragen aan het zoeken naar de waarheid''. Ze moet lachen als ze dat zegt. ,,Het is misschien naïef, misschien zeg ik het om mezelf belangrijk te vinden. Maar als ik onrecht zie, heb ik het idee dat ik wat kan dóen.'' Ze is voorzitter van de Finse afdeling van het Helsinki Comité, ze zit in het bestuur van de Finse bond voor de mensenrechten en ze is lid van de adviesgroep van de Finse regering over mensenrechtenkwesties. Ze vindt dat het nieuwe permanente strafhof in Den Haag gebruik zou moeten kunnen maken van forensische experts, die onafhankelijk onderzoek doen naar misdaden in conflictgebieden. ,,De wereld is vol juristen. Maar er zijn niet veel mensen die door hun ervaring op de grond weten wat mensen elkaar aandoen, hoe verdriet eruit ziet en hoe regeringen daar misbruik van maken.''

In de zomer van 1998 waren er in een dorp in Kosovo stoffelijke resten gevonden van Serviërs, slachtoffers van het UÇK. Servische forensische experts zeiden dat het resten waren van tweeëntwintig mensen, ook vrouwen en kinderen. Helena Ranta en haar collega's keken naar de lengte van de botten, de vorm van de schedel en het bekken, ze maakten röntgenfoto's en deden DNA-testen. Uit hun onderzoek bleek dat het ging om de resten van drie volwassen mannen.

De Serviërs hadden in 1999 de lichamen uit het dorp Racak het liefst zelf onderzocht, met hulp van pathologen uit Wit-Rusland. Maar ze begrepen dat het westen de resultaten daarvan niet serieus zou nemen, en de NAVO dreigde met bombardementen. De Joegoslavische ambassadeur in Finland belde Helena Ranta thuis op, en ook de Europese Unie, de OVSE en het Joegoslavië-tribunaal vroegen of zij zich met de autopsies wilde bemoeien.

In het mortuarium van het ziekenhuis in Pristina, de hoofdstad van Kosovo, onderzocht het team van Ranta de lijken, samen met Servische en Wit-Russische collega's. De wonden werden bekeken, gefotografeerd, gefilmd. Kleren werden laag voor laag verwijderd. Er werd nagegaan welke weg de kogels in het lichaam hadden afgelegd, en de onderzoekers stelden vast dat er niet later nog, toen de Albanezen al dood waren, op hen was geschoten, bijvoorbeeld om een executie in scène te zetten. In Racak zelf konden de Finnen geen onderzoek doen, het sneeuwde. Pas lang na het eind van de NAVO-bombardementen kwamen ze terug. In en rond de greppel waar drieëntwintig lijken waren gevonden ontdekten ze kogels en kogelhulzen, afkomstig van twee fabrieken in Servië, en ze gingen na waar de schutters hadden gestaan. Aan kogels die in de grond van de greppel werden gevonden, zat DNA-materiaal van de lichamen die in het mortuarium waren onderzocht.

,,Ik kan me niet voorstellen'', zegt Ranta nu, ,,dat er nog twijfel bestaat over wat er is gebeurd in Racak. We kunnen uitsluiten dat de dood van de mannen in de greppel in scène is gezet. Het waren ongewapende burgers, er is niet van grote afstand op hen geschoten en ze zijn ín de greppel gedood.''

In de rechtszaal heeft Miloševic de dood van de Albanezen uit Racak al een paar keer een `nep-bloedbad' genoemd. Op de derde dag van het proces liet hij een Duitse documentaire zien. In die uitzending zegt Helena Ranta dat er ,,zonder twijfel'' in Racak is gevochten tussen Servische eenheden en het UÇK. Miloševic zei dat ze daarmee zijn waarheid over Racak bevestigde. Ranta vond het vreselijk. ,,Ik werd gepresenteerd als Miloševic' beste vriendin.'' Iedereen weet, zegt ze, dat er in het dorp ook is gevochten. Maar het gaat erom of de dood van de drieëntwintig mannen in de greppel buiten het dorp in scène is gezet. ,,En dat was níet zo.'' Het lijkt haar niet verstandig, zegt ze, als Miloševic haar als getuige zou oproepen in zijn verdediging. ,,Ik vind het moeilijk voorstelbaar dat ik iets kan zeggen dat in zijn voordeel is.''