De ware schuldigen van `Srebrenica' zijn de politici

Toen Hans van Mierlo woensdagmiddag een reactie werd gevraagd op het NIOD-rapport inzake `Srebrenica' mompelde hij: ,,Eigenlijk heb ik niets te zeggen.'' Daarna klonken wat verzuchtingen. Ik was verbijsterd en zit nu verdrietig achter mijn toetsenbord om deze open brief te schrijven.

,,Eigenlijk heb ik niets te zeggen'' – en dat uit de mond van de man die het Nederlandse politieke systeem had willen openbreken. Hij had kunnen zeggen: ,,Aan de basis van dit drama ligt het feit dat ons politieke systeem al jaren geleden is vastgelopen, dat het parlement te weinig ruimte heeft voor zijn controlerende taak, dat belangrijke beslissingen dus door een klein select gezelschap worden genomen.'' Maar dat kwam niet in hem op. Hij beseft niet meer dat hij al sinds 1966 gevangene is van het systeem dat hij zo graag wilde bestrijden.

En uitgerekend Srebrenica is een exemplarisch uitvloeisel van dat kwalijke parlementaire monisme waar het Nederlandse politieke systeem aan lijdt. Ook in deze kwestie was het parlement als controlerend orgaan weer als een lam. Het NIOD schrijft: ,,Het parlement was tamelijk volgend.'' Een understatement.

Dan de eerste zin van het persbericht: Het kabinet had onder meer gedreven door `politieke ambities' op `eigen initiatief' en `zonder voorwaarden vooraf' een bataljon beschikbaar gesteld – een dodelijke constatering. Gedreven door politieke ambities? Laat ik het sterker vertellen, met de hand in eigen boezem: de Nederlandse politiek was geil om in de wereld voorop te lopen, wij wilden de Denen, de Belgen en al die andere kleine landjes ver achter ons laten. Meedoen dus aan vredesoperaties; dat hielp de krijgsmacht aan werk en het land aan internationaal aanzien. In één van de defensienota's streefden we er zelfs naar om tweeëneenhalve operatie tegelijk (!) te kunnen uitvoeren.

Pronk, onze nationale ellendejunk, was één van de grote pleitbezorgers voor forse deelname aan VN-missies. Hij zag in vredesoperaties een prachtig instrument om zijn wereldwijde ontwikkelingsstrategie te ondersteunen. Nederland op de bres voor armen en ellendigen, met geld en vredestroepen, dat was Pronks passie. Maar ook Lubbers en Van den Broek waren zeer geporteerd van vredesoperaties. Beiden wilden Nederland om vele goede en persoonlijke redenen gaarne internationaal in de schijnwerpers plaatsen. Dat zij aan het eind waren van hun vaderlandse loopbaan zal daaraan niet geheel ondergeschikt zijn geweest; niets is de mens vreemd.

En wij, Kamerleden? Als het `torentje' (Van den Broek had zijn eigen torentje) zei: ,,Dames en heren, we gaan rechtsaf, dan gingen we rechtsaf. En toen werd gezegd: ,,We gaan naar Bosnië'', gingen we naar Bosnië. Zonder voorwaarde vooraf, schrijft het NIOD, met een onhelder mandaat, om vrede te handhaven waar geen vrede was, zonder adequaat te zijn opgeleid voor deze specifieke taak, zonder een duidelijke evacuatiestrategie enz. enz. De Kamer mag dan `brede steun' (NIOD) hebben verleend aan dat voornemen, dat wil niet zeggen dat in de fractiecommissies niet vaak heftig werd gediscussieerd.

In de CDA-defensiecommissie was ik één van de drie oud-militairen. Iedere operatie werd uitvoerig besproken, ook de militaire details: wat gingen we er doen, hoe moesten we bewapend zijn, hoe konden we weer uit een wespennest worden teruggetrokken, hoe was de bevelsstructuur. Daar hadden we uitgesproken standpunten over. In die commissie was vaak sprake van grote tegenzin, angst ook.

Ik herinner me de verhalen van de militairen als we bij ze op werkbezoek waren. Toen beseften we dat we soldaten uitzonden op peace keeping-missies in gebieden waar men elkaar in stukken scheurden; toen zagen we dat soldaten die als fighters waren getraind, lijdzaam moesten toezien dat hemeltergend onrecht in bloed over hun schoenen liep; daar ondervonden we uit de verhalen hoe een soldaat zich voelt als hij de opdracht heeft wapens en zelfs voertuigen af te geven als hij daartoe door strijdende partijen werd gedwongen. Toen begreep ik de diepe frustraties van diezelfde soldaat die de volgende dag `godbetere het' zijn voertuig voorbij zag komen met triomfantelijke Serviërs erin. Waarom meneer, waarom moeten we dat pikken, was dan de vraag die ik onbeantwoord liet.

Politieke instructies van hoger hand. Dat wisten we in de commissie. Militair gesproken was het niet zelden een schandaal wat er gebeurde. Wij kwamen wel met onze bezwaren in het torentje, maar daar werd ons de internationale betekenis van onze participatie voorgehouden. Beter nutteloos aanwezig dan helemaal niet.

Het paradoxale in ons denken was het feit dat we altijd de mond vol hadden over het dragen van verantwoordelijkheden door de burgers en dat we die eigen verantwoordelijkheidsvraag niet stelden in de internationale arena. Waarom hebben wij Kamerleden nooit de moed gehad tegen het torentje te zeggen: laat die slaven hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Hek eromheen! Die suggestie kwam niet in onze christelijke hersens op: naastenliefde en lotsverbondenheid streden om de voorrang.

`Lotsverbondenheid' was volgens het NIOD één van de argumenten het NIOD waarom we Srebrenica op ons namen. Deels huichelarij! Die verbondenheid ging niet verder dan de eigen veiligheid. Sterven voor de moslims? Kom, kom wel realist blijven hè! Please, no body bags, was intern het adagium; doodkisten met onze jongens erin is akelig, vinden de kiezers niet leuk. Onze lotsverbondenheid was exclusief dat risico.

Bovendien, we zaten daar ook nog eens uit eigenbelang, en wel om te voorkomen dat de ellende in Joegoslavië, in onze achtertuin dus, naar ons comfortabele wereldje zou overslaan, dat we nog meer vluchtelingen zouden krijgen. Dat wist Karremans ook allemaal, dat was zijn richtsnoer, en terecht. Nu ik het toch over hem heb. Uit het rapport blijkt dat hij juist gehandeld heeft. Gewapend verzet was geen optie, noteert het NIOD. Hij zou kansloos zijn geweest. Veronderstel nou toch eens dat hij de held was gaan uithangen, dat hij, tegen alle orders in, het gevecht was aangegaan. Hij zou zijn afgebrand, voor de krijgsraad met die man, hangen die idioot.

Wij, politici zijn de schuldigen, niet de militairen. Te lang hebben we die schuldvraag van ons afgehouden. Eerst hebben we het `probleem' jaren laten rusten, toen voorzichtig de commissie-Bakker wat sluiers laten lichten, toen een trapje hogerop naar het NIOD. Een parlementaire enquête zal natuurlijk het slot moeten zijn. Pas tijdens hoorzittingen, onder ede en camera's, komen de laatste stenen boven. Het is een groot verschil of je als actor in dit drama met een kop koffie een gesprek voert met een grijze historicus, die het militaire vak niet kent, of dat je met de aandacht van de hele wereld op je gericht je verhaal kan of moet doen.

Pas tijdens die hoorzitingen zullen we vernemen wat Karremans echt heeft te zeggen, dan pas zullen we horen hoe de ministers van toen met hun dilemma's hebben geworsteld, dan pas staan de Kamerleden echt voor schut omdat ze moeten toegeven dat ze de moed of het inzicht niet hadden zich te verzetten. Die moed had ik ook niet.

Ton de Kok is oud-lid van de Tweede Kamer. Als defensiespecialist was hij lange tijd woordvoerder `vredesoperaties' voor het CDA.