De handen in schuld gewassen

Jaren geleden, een eeuwigheid lijkt het, zag ik op een Amsterdamse televisiezender een gesprek met Andrée van Es, toen nog als politica actief in GroenLinks. In Bosnië vonden verschrikkingen plaats en het gesprek ging over de noodzaak van het inzetten van buitenlandse grondtroepen. De aarzelingen van de Nederlandse militairen begreep ze niet. Honend zei ze: ,,Mogen ze eindelijk vechten en nu willen ze niet.''

Hoe weerzinwekkend ik die uitspraak toen vond, blijkt wel uit het feit dat ik me hem tien jaar na dato nog woordelijk herinner; weerzinwekkend, niet zozeer vanwege de stompzinnigheid ervan, maar vanwege de morele zelfgenoegzaamheid die eruit spreekt. Hier maakte een verklaard pacifist een reusachtige ommezwaai, plotseling moest er wel gevochten en gesneuveld worden voor de goede zaak, en niks zelfonderzoek, niks gewetenswroeging; de praktische bezwaren van de mensen die voor haar zouden moeten vechten en sneuvelen werden honend weggewoven. Er zou en moest gevochten worden om de vrede te bewaren, en snel een beetje.

Dàt is de geest van Srebrenica: die mengeling van idealisme en hooghartigheid, van menslievende betrokkenheid en morele blindheid. Het rapport van het NIOD over het debacle in het zogenaamde veilige gebied in Bosnië is veel schokkender dan de meeste commentatoren lijken te beseffen. Dat de legerleiding het voor zijn kiezen zou krijgen, viel te verwachten, maar de beschuldigende vinger wijst verrassend genoeg vooral naar de ideologen van de hele onderneming: de politici die zo verschrikkelijk graag goed wilden doen.

Jarenlang domineerde het beeld van een blunderende legertop en doetjes van soldaten, die geen onderscheid konden maken tussen een bloedige burgeroorlog en een survivaltocht op de Veluwe. Maar het nut van de onderneming zelf werd in Den Haag en omstreken zelden in het openbaar in twijfel getrokken; dat Joegoslavië geen land was om je nieuw uitgevonden militair pacifisme te oefenen, lijkt pas met de verschijning van het rapport tot het politieke establishment te zijn doorgedrongen. De politiek zocht voor Nederland een plek op de wereldkaart, maar natuurlijk niet als speler in het spel van de machtspolitiek: onze ambitie was ethisch, onze rol die van bescheiden verlosser. Van alle andere deelnemende landen had ons land de beste bedoelingen.

Zo gezien is de hele onderneming die tot het drama van Srebrenica heeft geleid, niets anders dan een poging van Nederland om onder de stolp van zijn gezapige onbeduidendheid uit te komen. Maar het was een onderneming die alleen vanonder diezelfde stolp bedacht had kunnen worden. De Hollandse blauwhelmen werden naar Bosnië gestuurd met een onmogelijke opdracht. De Joegoslavische werkelijkheid onttrok zich aan simplistische ethische categorieën, en zelfs als je daar onmachtig toekeek hoe anderen elkaar afslachtten, bleek je behoorlijk vuile handen te kunnen krijgen.

Hoe krijgen we die handen weer schoon? Volgens de Mient-Jan Fabers van deze wereld is het eenvoudig: ze wassen in schuld. De schuld van anderen, wel te verstaan, want pacifisten zelf kunnen immers nooit vuile handen krijgen. De handen van Andrée van Es zijn ongetwijfeld ook brandschoon: mochten ze eindelijk vechten, die soldaten van Dutchbat, en nu wilden ze niet.

Faber en de zijnen munten uit in die typisch Nederlandse vorm van zelfkastijding: roepen dat we heel erg schuldig zijn, en tegelijk zorgen dat de zweep altijd net op de rug van de ander terechtkomt. Zijn vrome exploitatie van getraumatiseerde Bosnische vrouwen die hun familie verloren hebben, zijn stellige conclusie dat het bloedbad in Srebrenica best wel voorkomen had kunnen worden, het gaat allemaal voorbij aan wat mij betreft de belangrijkste conclusie van het NIOD-rapport, die Faber zich aan had kunnen trekken als hij niet voortijdig de zaal was uitgelopen: dat de Nederlandse politiek inzake Srebrenica hopeloos geïnfecteerd was door het onwerkelijke idealisme dat hijzelf heeft helpen verspreiden.

In zijn voorbarige boekje over het debacle baseerde Faber zich op uitgelekte geheime notulen uit de ministerraad, en toen ik dat in de krant las moest ik onwillekeurig meteen denken aan die aartsidealist binnen de ministerraad: Jan Pronk, destijds een groot voorstander van de uitzending van Nederlandse blauwhelmen naar de Bosnische enclave. Op de televisie hoorde ik hem zeggen dat hij het zich vreselijk aantrok, maar voor de zoveelste keer kreeg ik de indruk van een bevlogen man die zichzelf een hele nacht uit de slaap houdt met wroeging, zonder zichzelf ook maar een wezenlijke vraag te stellen. Zou hij beseffen dat de aard van zijn schuld juist in zijn eigen idealisme gezocht moet worden?

Wat het Srebrenica-rapport zo mooi in kaart brengt, is de mentaliteit die verantwoordelijk geacht mag worden voor alle problemen en kwesties die Nederland de laatste jaren in hun greep houden. Linkse en rechtse geldingsdrang geven elkaar een hand. Aan de ene kant de volslagen onwerkelijke wereldse ambitie van het leger, dat nu eindelijk wel eens een woordje mee wilde spreken op het wereldtoneel, en vervolgens, toen de kloof tussen ambitie en competentie almaar wijder werd, zich verloor in achterbakse spelletjes met de waarheid en zich ten opzichte van de verantwoordelijke politici van de domme hield. Weinig verrassend: er gaat bijna geen dag voorbij of er verschijnt wel een vernietigend rapport, waaruit blijkt dat ministers geen greep hebben op hun departementen; er woedt een stammenstrijd, er wordt van alles achtergehouden, gebrekkige informatie wordt mondjesmaat en achteraf verstrekt. Dat maakt die roep om meer transparantie in het bestuur naar de burger toe zo absurd: laat de departementen van Justitie, Verkeer en Waterstaat en Defensie eerst maar eens transparant worden naar hun eigen ministers toe.

Maar belangrijker is die andere kant: het feit dat de traditionele sociaal-democratie over geen enkel geloofwaardig antwoord beschikt op de heikele kwesties van vandaag. De idealistische bevlogenheid die het trauma Srebrenica heeft veroorzaakt (pacifistisch oorlogvoeren), is in wezen dezelfde bevlogenheid die de multiculturele samenleving in de soep heeft doen lopen, hetzelfde idealisme dat Nederland met een miljoen WAO-ers heeft opgezadeld. Het is allemaal goed bedoeld, het is allemaal op een behoorlijke ramp uitgelopen. Wanneer de aard van al die goede bedoelingen nu eens tot onderwerp van een diepgaand zelfonderzoek bij de politiek zelf zou worden, dan kan een parlementaire enquête gerust achterwege blijven.