Crèche 2

Het artikel `Stress van de crèche' (W&O, 6 april) nuanceert de stellingen van mevrouw Riksen-Walraven door een aantal hersendeskundigen aan het woord te laten. Op zichzelf was het heel prettig die nuanceringen te lezen maar toch raakt het niet de kern van wat mij stoort aan de opnieuw opgelaaide discussie over de mogelijke schade van kinderopvang voor kinderen.

Opnieuw wordt de situatie van het crèchekind afgezet tegen de situatie van het kind bij moeder thuis. De praktijk van alledag is veel gevarieerder: kinderen gaan enkele dagen naar een crèche, en worden door vader, door moeder, en door oma en buren opgevangen. In zo'n gevarieerde opvoeding wordt het wel erg moeilijk om vast te stellen wat de schade van kinderopvang dan zou zijn.

Door de discussie in de genoemde categorieën van crèchekinderen versus fulltime-thuis-moeders te voeren wordt impliciet nog steeds het ideaal gepropageerd van een moeder die fulltime haar kinderen opvoedt. Dat lijkt me toch echt achterhaald als ideaal. Ook feitelijk komen er kinken in de kabels van dit ideaal. Zo werd in W&O van 2 maart 2002 gewag gemaakt van het belang voor kinderen van vaders die zich `veel met de opvoeding bemoeien'. Dit had betrekking op vaders die een evenredig deel van de opvoeding voor hun rekening namen in vergelijking met de moeders.

In het artikel van 6 april wordt bovendien wel erg gemakkelijk het voordeel van taalontwikkeling van `crèchekinderen' van tafel geveegd. Ze zouden agressiever zijn maar wel beter in taal. Wat dit betekent weet ik niet precies, het zijn boude generalisaties, maar een goede taalbeheersing maakt het functioneren in onze samenleving eenvoudiger.

In de discussie gaat het steeds om de mogelijke schade van niet-responsieve leidsters voor het kind. Maar wat te zeggen over de schade van een niet-responsieve ouder? In zo'n geval is crèchebezoek wellicht een goed idee.