`Belgrado gaf leger in Kosovo vrij spel'

Eenheden van het Joegoslavische leger hadden van hogerhand de vrijheid om in Kosovo burgerdoelen aan te vallen als daar `terroristen' van het Kosovo bevrijdingsleger UÇK in de buurt waren. Dat bleek gisteren tijdens de getuigenis van de Britse generaal Drewienkiewicz voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag in het proces tegen oud-president Slobodan Miloševic. De aanklagers toonden een memorandum waarin die richtlijnen stonden.

De Britse generaal was een van de leiders van de OVSE-missie in Kosovo. Waarnemers van de OVSE moesten toezien op een akkoord dat in 1998 was gesloten tussen Miloševic en de Amerikaanse diplomaat Holbrooke. Drewienkiewicz getuigde over het gewelddadige optreden van Joegoslavische troepen in Kosovo, en hij vertelde dat een hoge Servische militair de Albanezen van Kosovo ,,primitief volk'' had genoemd. Drewienkiewicz: ,,Die mening werd gedeeld door mensen in het Joegoslavische establishment.''

De Britse generaal was de eerste die in de rechtszaal getuigde over de dood van 45 Albanezen in het dorp Racak, in janauri 1999. Dat bloedbad was mede aanleiding voor het begin van de NAVO-bombardementen op Joegoslavië en het is een belangrijk onderdeel van de aanklacht. Miloševic zelf noemt het een nep-bloedbad. Franse kranten schreven in 1999 dat de massamoord in scène was gezet. De doden zouden UÇK-strijders zijn geweest die in gevecht waren omgekomen. De Britse generaal had de lijken in het dorp zien liggen en hij verklaarde dat de slachtoffers burgerkleren droegen. Hij vond geen aanwijzingen dat hun kleren waren verwisseld en uit niets bleek dat ze gewapend waren geweest.

De rechters hebben afgelopen week bepaald dat de aanklagers nog één jaar hebben om hun bewijzen te presenteren. Miloševic wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden in Kosovo en Kroatië, en genocide in Bosnië.