Zijwieltjes

Bij fietsen is het de kunst om je evenwicht te bewaren. Een fiets is tenslotte maar een wankel vervoermiddel, met twee dunne bandjes die achter elkaar staan en met het gewicht zo ver van de grond. Het is eigenlijk een wonder dat dat goed gaat.

Als je fietsen leert, val je bijna altijd om. Daar is wat op gevonden: steunwieltjes. Deze kleine wieltjes draaien aan weerskanten van het achterwiel mee. Ze zijn met schuine metalen pootjes aan de achteras bevestigd. Het principe is simpel: als je wijdbeens gaat staan, val je veel minder snel om dan met je voeten naast elkaar.

De metalen zijpootjes waar de steunwieltjes aan vastzitten, zijn nèt niet lang genoeg om ze allebei tegelijk de grond te laten raken als je fietst. Dat is expres gedaan. Zo krijg je telkens maar een klein beetje steun, net genoeg om je niet om te laten vallen. Het voelt daardoor wat wiebelig, maar zo leer je wel het evenwicht op de fiets goed kennen. En als dat dan goed gaat, mogen de wieltjes eraf.

Je evenwicht bewaren zonder wieltjes, dat doe je voornamelijk met je stuur. Val je om naar links, dan stuur je gauw naar rechts. Val je naar rechts, dan stuur je gauw een beetje naar links.

En hoe langzamer je gaat, hoe meer je zo zit te slingeren om overeind te blijven. Maar als je het dan kan, fiets je met kleine, onzichtbare, rukjes aan het stuur in een rechte lijn. En als je na een tijdje een echt fietsgevoel hebt ontwikkeld, kun je zelfs met losse handen in balans blijven. Je stuurt dan in feite door je gewicht te verplaatsen.

Zonder zijwieltjes fiets je harder en bovendien kun je ook schuin door de bocht: door met je volle gewicht naar binnen te hangen voorkom je dat je uit de bocht vliegt. Daar hoef je niet over na te denken, dat gaat helemaal vanzelf. De steunwieltjes die niet meer aan je fiets zitten, zitten dan in je gedachten, tussen je oren.