We maken er een puinhoop van

De westerse cultuur genoot eeuwenlang van ruïnes, maar kalefatert ze nu veel te enthousiast op. Waar blijft de ruïne-ervaring? Daarvoor kan men, zeker het komende Nationaal Museumweekend, terecht in musea.

De natuur laat niets ontstaan nisi morte adiuta aliena, tenzij geholpen door de dood van iets anders, schreef de Romeinse dichter Lucretius. Nu de knoppen weer ontbotten, weten we het weer. Want ondanks alle dartelheid, is april de wreedste maand: het nieuwe leven komt voort uit de dood van de winter, en keert daarin ook weer terug. Wie al dit gekrioel aanschouwt, ziet in de lente daarom juist het embleem van vergankelijkheid.

De plaats bij uitstek om deze ervaring op te doen, is een ruïne. De vermorzelde aspiraties van grote rijken, hun gebroken stenen en gevallen zuilen, worden doorschoten door klimop, het onkruid baant zich een weg door het mortel, vlinders en salamanders spelen in paleiszalen. En daar zit men dan, met knapzak en opschrijfboek, of met helemaal niets, onder het lover en een azuurblauwe lucht. `Come and see the cypress, hear the owl, and plod your way o'er steps of broken thrones and temples!'

De dichter Byron, uit wiens Childe Harold's Pilgrimage bovenstaande oproep afkomstig is, wist waarom hij naar Rome kwam. Hij zag er geen `Augustan Empire', maar verval en de triomf van de natuur. `Appropriatie' heet dat in modern jargon: Byron, zoals zoveel anderen, trok Rome en haar ruïnes naar zich toe. En gaf daarmee de klassieke formulering aan het romantische ruïnegevoel. De merkwaardige paradox van deze Ruinenfreude is dat zij verleden en toekomst tegelijkertijd aanwezig laat zijn, èn ons dat machtige gevoel geeft te leven, er nú te zijn, voor wat het ook waard is.

Ruïnes zijn vanaf de oudheid een vast onderdeel van het Europese landschap geweest en met verschillende betekenissen bekleed. In de vroegste Renaissance, worden ze tot icoon van Romes grootheid, en roepen ze op tot een reveil van de deugdzaamheid van de Ouden. Dat verandert vanaf de vroege zeventiende eeuw, wanneer de ruïne, en het beschouwen ervan, een doel op zichzelf wordt.

Extatisch

Vooral die periode en latere tijden zijn het onderwerp van het charmante In Ruins van de Britse museumconservator Christopher Woodward. Het boek zelf slingert zich als een wingerd door de ruïnes die het beschrijft, het weidt uit, mijmert, verliest zich in persoonlijke herinneringen en is zo een leçon par l'exemple. Die les luidt dat de moderniteit in haar zucht naar heelheid haar belangrijkste memento mori is vergeten, de ruïne als ruïne. Natuurlijk, archeologen graven, herstellen, plakken af en tapen dicht als nooit te voren, maar juist door dit verzegelen van het verleden, het kappen van de klimop, het aanleggen van wat haast archeologische pretparken kunnen worden genoemd, vernietigen wetenschap en commercie de kern van het ruïnegevoel: de natuur die door de gestrande ambities van de mensheid heenbreekt. Voor mijmeren is in massatoerisme geen plaats, door de fluitjes van de wachters, de petjes van de busgroepen en het gekakel van de gidsen. Onze ruïnes zijn netjes geworden, en de dood is er uitgejaagd.

In Ruins leert, net als ruïnes zelf, bescheidenheid, en ironie. En ze hebben nog meer losgemaakt. De Romantici zagen in ruïnes ook de vrijheid van de natuur die dwars door de vermolmde stenen van de Europese monarchie en de restauratie heenbrak. Het christendom zag er de triomf in van de stad van God over al het aardse. Poe en Freud associeerden ze met het onbewuste, en met de onderdrukte spoken van een ontregeld brein. In de loop van de achttiende eeuw is dan al het `pittoreske' geboren, als overgang tussen het regelgebonden classicisme naar de vrije subjectiviteit van de Romantiek.

Woodward laat zien hoe het ruïne-thema in de achttiende en negentiende eeuw een haast extatische ontsporing onderging: van de `ruïnetaarten' van de kok van Marie Antoinette, Carême, in het fatale hedonisme van het ancien régime tot de obsessie van de architect John Soane, van wiens roerende kleine museum in Londen Woodward conservator is geweest. Soane maakte kunstmatige ruïnes, tekende zijn prachtvolle Bank of England-complex als kaalgeslagen bouwval en werd (zoals meer ruïne-minnaars) uiteindelijk stapelgek.

Maar Woodward gaat nog verder. Wrakstukken van de Tweede Wereldoorlog, in verval geraakte atoombunkers, Siciliaanse dorpen na een aardbeving, de slotscène van `Planet of the Apes' (waarin Charlton Heston verbijsterd staart naar de resten van het Vrijheidsbeeld), dit alles en nog veel meer passeert de revue in een opsomming van dwaalwegen en zijpaden. Puin, puin en nog eens puin, het is geweldig!

Ruïnenfreude

Behalve vandaag de dag. Zelfs `Ground Zero' in New York, onze meest recente huiveringwekkende ruïne, is haast alweer opgeruimd, de twee lichtbundels daar symboliseren heelheid en ongeschonden integriteit. Maar waar moet het heen met ons als we onze beperkingen niet meer weten te gedenken – en waar kan dat beter dan in echte ruïnes? Woodward kent het antwoord op die vraag, maar geeft het eigenlijk nergens expliciet. En dat is een beetje het probleem van dit desondanks heerlijke boek. Terecht merkt hij op dat de Ruinenfreude ooit kon worden uitgeleefd in de aanblik van échte ruïnes, en niet zoals nu, in staat van restauratie. Terecht beschrijft hij hoe dat gevoel al vanaf de zeventiende eeuw kunstmatig werd opgewekt, door nep-ruïnes te bouwen, en uiteindelijk verdween.

Maar daar is iets voor in de plaats gekomen: musea.

Wie nu in Rome loopt ziet, tot zijn ontzetting, siliconenkit op het Forum Romanum, om de boel bij elkaar te houden. Maar wie daarna de nieuwe musea van de stad binnengaat, overkomt iets anders. De Crypta Balbi, Palazzo Massimo, Palazzo Altemps en de centrale Montemartini zijn in hun huidige vorm nieuw, de Capitolijnse musea en de Villa Borghese zijn ingrijpend gerestaureerd en aangevuld. Musea zijn geen ruïnes. Maar in de eerste plaats zijn de nieuwe musea van Rome aangenaam leeg. Mijmeren kan men er als de beste, met of zonder suppoost. En het is niet alleen maar schoonheid met een hoofdletter: er zijn talloze steriele werken en slechte kopieën, die genadeloos de smaak van de collectievomers ontmaskeren.

Het is juist in die woestijn van beschadigd verleden waar rust en Ruinenfreude te vinden zijn. Dergelijke musea zijn onze ruïnes geworden. En de gang naar zo'n plek kan nog altijd Shelley's mijmeringen vervangen. Wat ontbreekt is natuurlijk de klimop, de vogels, het woekerend lover. Maar je kan ze er haast bijdenken, in die stille zalen met voorname collecties. De natuur is verdwenen in onze tijd, maar het contact met het verleden, de ontroering over de mooie of soms afschuwelijke dingen, de intimiteit met andere tijden, mensen, aspiraties, bestaat nog steeds.

Walkmen

Die oase in de nieuwe Romeinse musea contrasteert scherp met de kermis van door walkmen bijgeprate klanten die de musea in Noord-West Europa creëren met hun massale en met dreunende pr-acties ondersteunde `grote tentoonstellingen'. Woodward betreurt dat, en gaat in zijn boek gepassioneerd op zoek naar stille plekken (die er ondanks alles nog zijn). Maar de werkelijke transformatie van de moderne tijd, van ruïnencultuur naar museumcultuur, laat hij helaas onbesproken.

Daarover nog een kritische opmerking waar dit boek ondanks het aanstekelijke enthousiasme aanleiding toe geeft. Juist in Rome, levende ruïne en palimpsest, kun je die ontwikkeling naar de moderne tijd prachtig volgen. Want waar het hier om draait is de studie naar smaakgeschiedenis en collectievorming. En die laat namelijk zien hoe we van Ruinenfreude naar musea konden komen, en hoe die musea, steeds groter en machtiger, eerst de nationale identiteit en daarna de commercie van de massacultuur zijn gaan dienen. Aan die beschrijving komt Woodward te weinig toe.

De conclusie hoeft niet te zijn dat wie werkelijk wil genieten van het komende museumweekend per se naar Rome moet. Men kan zich ook hier aan veel moois, zelfs aan Ruinenfreude, laven. Wie de meesterlijke tentoonstelling bezoekt die het Rijksmuseum wijdt aan de grote onbekende Nederlandse schilder van de zeventiende eeuw, Michael Sweerts, kan ontdekken welke indruk de ruïnes en fragmenten van de oudheid maakten op een noorderling. Sweerts' haast obsessieve studies van Romeinse kunstenaars-werkplaatsen laten de ernst en verwondering zien die uit contact met het verbrokkelde verleden voortkomen. Briljant zet deze kunstenaar kapot naast heel, heden naast verleden.

En na het Rijksmuseum, kan men altijd nog naar Brugge, naar de ruïnes die Jan van Eyck als achtergrond gebruikte voor diens Verlossing van de mensheid door Christus. Precies zoals ze moeten zijn, met miniscule plantjes en beestjes door de stenen krioelend, de triomf van de goddelijke natuur op de broze aspiraties.

Christopher Woodward: In Ruins. Chatto & Windus, 280 blz. €26,35