Voller moet het niet worden

Geen diersoort heeft de aarde zo verwoest als de mens. Economie, demografie en nieuwe soorten voeren de destructie verder op. Dat blijkt ook op de pas begonnen conferentie over biologische diversiteit in Den Haag. De beroemde evolutiebioloog Edward O. Wilson vestigt zijn hoop op groene christenen, biojoden en eco-moslims.

Op een zomerse dag in de jaren vijftig van de negentiende eeuw wandelde Henry Thoreau in het bos bij de Waldenvijver, niet ver van het Amerikaanse Concord, Massachusetts. Opeens werd zijn aandacht getrokken door een krioelende massa van duizenden rode en zwarte mieren die verwikkeld waren in een veldslag. Kennelijk waren de mier-tegen-mier gevechten al enige tijd aan de gang, want de bodem van het bos lag bezaaid met creperende mieren en verminkte lijken. In Walden, Thoreaus schitterende notities over zijn verblijf in het bos, vergeleek hij het tafereel met de veldslag bij Austerlitz. Hoe nauwgezet en beeldend hij daarover ook schreef, vermoedelijk heeft Thoreau nooit geweten wat er precies aan de hand was.

Anderhalve eeuw later heeft de toonaangevende evolutiebioloog, natuurbeschermer en mierenspecialist Edward Wilson daarvan wél een sterk vermoeden. Hij denkt dat Thoreau er getuige van was hoe rode mieren de larven van de zwarte roofden. Eenmaal volwassen beginnen deze zwarte mieren instinctief slaafs voor de rode te werken. Dat ze geroofd zijn weten ze niet en dat ze zich in het verkeerde nest bevinden hebben ze niet door. Die middag in het bos van Walden werden er, nota bene voor de neus van een van Amerika's felste strijders voor de afschaffing van de slavernij, slaven geroofd! Dat schrijft Wilson aan zijn geestverwant Thoreau in een imaginaire brief, die de proloog vormt van zijn nieuwste boek The Future of Life.

Thoreau had bewust gekozen voor een sober, maar vrij leven in een boshut. Hij wilde laten zien dat het mogelijk was onafhankelijk en toch selfsupporting te zijn. Zijn sociale leven wist hij tot een minimum te beperken, al wandelde hij regelmatig het bos uit om bij zijn moeder in Concord eens lekker te gaan eten. Hij had een scherp oog voor het bos en zijn bewoners en ervoer het vertoeven in de natuur als essentieel voor zijn welbevinden. Thoreau besefte dat de mens eens onderdeel van die natuur was geweest en dat hij nog altijd niet helemaal zonder kon. Daaruit trok hij een conclusie waarmee hij zijn tijd ver vooruit was: laat die wildernis dus niet verloren gaan, bescherm haar! Want is zij eenmaal verdwenen, dan zal de toekomstige mens voorgoed zijn afgesneden van een scala aan ervaringen die het leven kunnen verrijken. De haast anarchistische Thoreau wordt door Wilson, uiterst gevestigd hoogleraar aan Harvard, dan ook postuum bedankt en gebombardeerd tot patroonheilige van de natuurbeschermers.

The Future of Life begint dus niet met toekomstvoorspellingen, maar met een duik in het verleden. Dat geeft Wilson gelegenheid te vertellen wat er sinds het verschijnen van Walden van die natuur geworden is. Met het stukje bos van Thoreau gaat het in ieder geval goed, aanmerkelijk beter zelfs dan hij het ooit heeft gekend. Het is tegenwoordig een beschermd gebied dat wordt gestoffeerd met een als Thoreau verklede acteur annex boswachter. Helaas gaat het bijna nergens op aarde zo voorspoedig als bij de Waldenvijver.

In de tijd van Thoreau leefden er op aarde een miljard mensen, tegenwoordig zijn er alleen al een miljard Chinezen. Een op de zes van de huidige ruim zes miljard mensen is uitgesproken arm en vecht om in leven te blijven, wat een voortdurende aanslag betekent op resterende wildernis. Nog altijd groeit de wereldbevolking, zij het minder snel dan enkele decennia geleden. Een optimistisch stemmende verrassing is dat vrouwen, naarmate ze vrijer en welvarender worden, ervoor kiezen minder en niet juist meer kinderen te krijgen. Geen evolutiebioloog had verbaasd opgekeken als het andersom was geweest. De verwachting is dat er aan het einde van deze eeuw een maximum zal worden bereikt van acht tot tien miljard mensen. Het zal op het nippertje mogelijk zijn hun te eten en te drinken te geven, maar veel voller moet het niet worden. Nu al zouden er vier aardes nodig zijn om iedereen op Amerikaans niveau uit de ijskast te laten eten, vliegen en douchen.

Wilson schetst hoe de mens het leven op aarde ging domineren. Doordat hij allang geen bescheiden jager en verzamelaar meer is, maar een geduchte geofysische kracht vertegenwoordigt, veranderde bijna zeker het klimaat, werd de ozonlaag aangetast en zal de zeespiegel de komende eeuwen stijgen. Zo'n ingrijpende invloed op de biosfeer heeft in de afgelopen drieënhalf miljard jaar, geen diersoort ooit gehad.

Biologen die verstand hebben van het een of andere ecosysteem zijn bijna altijd uiterst pessimistisch over de nabije toekomst. In hun ogen zijn het oppervlakkig geïnformeerde buitenstaanders die maar blijven tsjilpen dat het wel meevalt. Daarom is het opmerkelijk dat Wilson zo monter is. Hij is ervan overtuigd dat zich een ramp voltrekt, maar is allesbehalve defaitistisch en geeft concreet aan welke mogelijkheden er zijn om een massaal uitsterven van soorten in de komende decennia te voorkomen.

Door zijn compacte en droge manier van schrijven en door de regelmatig opduikende programmatische stukken, leest het boek niet echt makkelijk, maar de inhoud ervan is zo belangrijk dat je Wilson desondanks veel lezers toewenst. Vooral politici en economen zouden er veel aan kunnen hebben. Diegenen onder hen die menen voor zo'n onderwerp geen tijd te hebben, zouden eigenlijk met The Future of Life twee weken moeten worden opgesloten om daarna door een getrainde wereldverbeteraar te worden overhoord. Want het is schokkend dat economische groei nog zo vaak wordt berekend zonder de daardoor veroorzaakte schade aan de biosfeer als kostenpost op te voeren.

Hoe voorkom je dat een Sumatraanse neushoorn in de dierentuin schrikt van een dichtslaande deur of een laag overkomend vliegtuig? Thoreau had de oplossing onmogelijk kunnen verzinnen: door het hele etmaal zachte rock 'n' roll te draaien. Wilson acht de kans buitengewoon klein dat hij nog ooit oog in oog zal staan met een Sumatraanse neushoorn die de rock-'n-roll niet kent. Het is tegenwoordig al bijzonder als je pootafdrukken of uitwerpselen van een wilde Sumatraanse neushoorn vindt. Als er nog vierhonderd exemplaren in leven zijn, is het veel.

Terwijl Wilson tijdens een bezoek aan de dierentuin van Cincinnati de neushoorn Emi aait, mijmert hij erover dat deze dieren tientallen miljoenen jaren voordat de mens ontstond heel algemeen waren in heuvelachtige stukken Aziatisch regenwoud. Onze voorouder Homo erectus zal ze zeker hebben gekend en misschien hebben bejaagd. Niet alleen de Sumatraanse neushoorn kwam veel voor, maar ook veel andere soorten die in afmetingen uiteenliepen van een dwergnijlpaard tot groter dan een olifant. Tegenwoordig zijn er nog maar vijf soorten over, in zeer kleine aantallen. Ze staan voor de onmogelijke taak honderden miljoenen Chinezen van hun rugpijn af te helpen. Want daartegen zouden hun tot poeder vermalen hoorns zo goed helpen.

Een onvoorzien neveneffect van het olie-embargo van de OPEC-landen in de jaren zeventig was een sterke stijging van het inkomen van de Jemenieten (wel olie, geen OPEC-land). Veel Jemenitische mannen konden zich daardoor de ceremoniële dolk met neushoorngreep veroorloven die nodig was tijdens een bepaalde rite de passage. Zo werden talloze neushoorns indirect het slachtoffer van de Amerikaanse en Nederlandse steun aan Israël, want daarop was het olie-embargo tenslotte het Arabische antwoord. Wat een bizarre keten van oorzaak en gevolg! Zou er één Nederlander zijn geweest die destijds de autoloze zondag en een neushoornloze wereld met elkaar in verband heeft gebracht? Gelukkig is sinds 1997 ook Jemen lid van CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora) en mogen er geen hoorns meer worden ingevoerd.

Wilsons hoop is voor een belangrijk deel gevestigd op het hersenspoelen van gelovigen. Hij is opgewekt gestemd over de toekomstige bijdrage van groene christenen, biojoden en de helaas nog al te zeldzame eco-islamiet. Het maakt een naïeve indruk, op het onnozele af, maar dat zou je eigenlijk niet hardop willen zeggen nu een bioloog met zoveel inzicht en ervaring gelooft dat het nog goed met de wereld kan aflopen. Voordat Wilson afscheid van de neushoorn neemt, plukt hij een toefje haar van Emi's flank. Het wordt als een talisman gekoesterd op zijn bureau en staat symbool voor alle plant- en diersoorten die het slachtoffer dreigen te worden van Homo sapiens, de rücksichtslos oprukkende verzieker van de biosfeer.

Waar de mens ook terecht kwam, hij liet geen gelegenheid voorbijgaan om een massaslachting aan te richten. Toen de Polynesiërs aan het einde van de dertiende eeuw in Nieuw Zeeland aan land gingen, troffen ze een idyllisch eiland vol reusachtige loopvogels, de moa's. Inheemse zoogdieren waren er niet, daarvoor ligt het eiland te ver van Australië en andere zoogdierrijke continenten. Elf verschillende moasoorten, de kleinste zo groot als een kalkoen, bezetten er de traditionele zoogdierniches. De ene moa speelde met verve de rol van neushoorn, de andere die van hert, of konijn. Vijanden hadden ze, op een reusachtige arend na, niet. De komst van misschien niet meer dan honderd Maori's betekende het einde voor zeker 160.000 moa's, die binnen enkele decennia werden afgemaakt. In de negentiende eeuw gingen de Britse kolonisten op dezelfde voet verder, maar zij introduceerden bovendien bewust allerlei plant- en diersoorten die `nuttig' werden gevonden. De gevolgen waren vaak desastreus, al zijn sommige landbouwgewassen van grote economische waarde gebleken.

Terwijl Wilson de kolonisatie van de Stille Zuidzee in kaart brengt, stuit hij op wetmatigheden. Is een eiland lang geleden gekoloniseerd, dan ligt het tempo waarin plant- en diersoorten er tegenwoordig uitsterven aanmerkelijk lager dan op recent gekoloniseerde eilanden. De oorzaak ligt voor de hand. Kwetsbare soorten als schildpadden en niet-vliegende vogels zijn op vroeg gekoloniseerde eilanden als Samoa en Tonga al lang uitgeroeid. Alleen de mensresistente planten en dieren zijn er overgebleven. Een relatief recent gekoloniseerd eiland als Hawaii bevindt zich nog altijd in de fase waarin kwetsbare soorten op weg zijn te verdwijnen. Het is precies wat intacte gebieden te wachten staat. In tegenstelling tot wat degenen die de natuur al hebben opgegeven vaak beweren, bestaan die nog wel degelijk.

Vroeger werden de meeste planten en dieren uitgeroeid door roofbouw, overbejaging en vernietiging van leefgebieden, tegenwoordig zijn het steeds vaker de nieuw geïntroduceerde soorten die extincties veroorzaken. Wereldwijd ligt het tempo waarin soorten uitsterven naar schatting duizend tot tienduizend keer zo hoog als in de periode voordat de mens de omgeving op grote schaal naar zijn hand zette. Afgezien van ethische en esthetische overwegingen is het directe gevaar daarvan dat zich door het wegvallen van zogenaamde sleutelsoorten die het systeem draaiende houden, onvoorspelbare en mogelijk onherstelbare effecten voordoen. Soortenrijke ecosystemen zijn, na verstoring, bijna altijd veerkrachtiger dan soortenarme. Ook zal de combinatie van bijvoorbeeld ontbossing en klimaatverandering (temperatuurverhoging) waarschijnlijk leiden tot epidemieën van allerlei virusziekten en een snelle verbreiding van malaria.

Sommige techneuten verheugen zich er nu al op dat het binnenkort mogelijk zal zijn ecosystemen synthetisch te maken, eventueel in een verwoeste biosfeer. Zou het niet meer voor de hand liggen om bestaande ecosystemen te conserveren? Je kunt ook wel kunstmusea, muziekpartituren en bibliotheken gaan verbranden, argumenteert Wilson, omdat het mogelijk is nieuwe schilderijen, composities en boeken te maken. Worden de inspanningen om soortenrijke gebieden (Amazone, Congo en Nieuw Guinea) te behouden niet opgevoerd, terwijl de destructie ongehinderd verder gaat, dan is de kans groot dat tegen het einde van deze eeuw de helft van het aantal biologische soorten op aarde voorgoed verdwenen is. Een heuse massaextinctie, waarvan de natuur, op voorwaarde dat de mens uitsterft, zeker zal herstellen. Alleen kan dat wel tientallen miljoenen jaren duren.

The Future of Life gaat grotendeels over biologie, maar verandert gaandeweg in een moreel traktaat. Wilson hoopt dat de mens ervoor zal kiezen het grootste deel van de biologische diversiteit te behouden en beseft dat daarvoor een morele keuze nodig is die alleen met behulp van een razendsnel te verspreiden ethiek kan worden gemaakt. Dat lukt natuurlijk alleen als er een wonder gebeurt, maar Wilson ziet dat anders. Hij meldt opgewekt dat het al lang niet meer alleen milieuactivisten en professionele natuurbeschermers zijn, door vijanden wel de enviro's respectievelijk groene Khmer genoemd, die het behoud van biologische diversiteit en biosfeer belangrijk vinden. Steeds meer gewone burgers zijn lid van ten minste één milieu- of natuurbeschermingsorganisatie en de niet gouvernementele organisaties (NGO's) die zich inzetten voor het behoud van biologische diversiteit zijn de afgelopen jaren bemoedigend snel in aantal toegenomen.

Ook lukt het steeds vaker om de lokale bevolking in de nabijheid van een soortenrijk tropisch gebied te laten leven van ecotoerisme of van de opbrengst van contracten met farmaceutische bedrijven. Die betalen er tegenwoordig voor om in het regenwoud medicinale planten met werkzame bestanddelen tegen kanker, malaria, schimmels, of ziekteverwekkende bacteriën te mogen zoeken. Dat klinkt als een aardig idee, maar je vraagt je af of die bedrijven blijven betalen als ze niets vinden of klaar zijn met zoeken. Je wenst geen regenwoudbewoner toe afhankelijk te worden van de menslievendheid van de farmaceutische industrie.

Onlangs is het gelukt om een regering, de Surinaamse, ervan te overtuigen dat het lucratiever is een regenwoud te beschermen en duurzaam te exploiteren dan concessies te verkopen aan de hoogstbiedende houtkapmaatschappij. In record tempo waren de onderhandelingen rond voor de oprichting van een reservaat van intact regenwoud. Natuurbeschermingsorganisaties zijn niet zelden vermogend en slagen er steeds vaker in een bod van houtkapmaatschappijen te overtroeven. Dit lijkt inderdaad een reële mogelijkheid te zijn.

De strijd, denkt Wilson, zal de komende decennia gaan tussen de `biofielen' die een diepgeworteld genoegen ontlenen aan het bestaan van andere levende wezens, te beginnen bij hun eigen hond of kat, en de `biofoben' die daar onverschillig tegenover staan en er geen cent belasting voor over hebben. Er is niet eens veel geld nodig om de zogenaamde hotspots, extreem soortenrijke gebieden, te beschermen. Deze vijfentwintig ecosystemen bedekken maar 1,4 procent van het landoppervlak op aarde, maar herbergen wel 44 procent van alle bekende vaatplanten en 36 procent van alle bekende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën. Met één eurocent belasting op elke kop koffie zou het al mogelijk zijn die gebieden veilig te stellen. De eerste stap: rijke landen moeten de vaak arme, lokale bevolking een fatsoenlijk bestaan garanderen.

Nadat Wilson zijn evangelie heeft uitgedragen, probeert hij zich voor te stellen hoe mensen die over duizend jaar leven zich ons zullen herinneren: de technisch-wetenschappelijke revolutie schreed voort en verspreidde zich, niet te stuiten, over de wereld. De capaciteit van computers benaderde die van het menselijk brein. De ruimte werd gekoloniseerd, de bevolkingsgroei nam af, de wereld democratiseerde en mensen waren beter gevoed dan ooit. De levensverwachting nam toe, aan religie bleef onverminderd behoefte bestaan. Voor Wilson ontbreekt op deze lijst het belangrijkste punt: het grootste deel van de biologische soorten op aarde werd weggevaagd en daarmee verloor ontegenzeggelijk ook het mens-zijn een belangrijk deel van zijn betekenis. Tenzij er snel iets verandert.

Edward O. Wilson: The Future of Life. Knopf, 229 blz. €28,95