Van loonmatiging worden te veel wonderen verwacht

Het Centraal Planbureau verkondigt sinds tijden de boodschap dat er een verband bestaat tussen lonen en economische groei of economische neergang. Deze redenering is echter op drijfzand gebouwd, meent Uwe Becker.

Gaat het goed met de Nederlandse economie dan komt dat door de loonmatiging, gaat het slecht dan ligt dat aan te hoge loonkosten die de concurrentiepositie ondermijnen. Op het moment gaat het weer eens wat minder en dus moeten de lonen (meer) worden gematigd. Loonmatiging is goed voor de bedrijfswinsten, de investeringen, de export en dus voor de groei van het bruto binnenlands product en werkgelegenheid. Zo redeneert het Centraal Planbureau al sinds een halve eeuw, en laatst nog in het rapport van vorige week. Bijna niemand spreekt die redenering tegen.

Op het eerste gezicht lijken de feiten het CPB-verhaal te ondersteunen. De naoorlogse wederopbouw viel in het tijdperk van de geleide loonpolitiek en het `banenwonder' dat zich sinds 1983 heeft voltrokken, ging samen met langdurige loonmatiging – de ontwikkeling van de lonen bleef achter bij die van de productiviteit en vaak zelfs van de prijzen. De gegevens over de prijsconcurrentiepositie zoals berekend door het CPB wijzen dezelfde kant op.

Bij nadere beschouwing wordt de constructie van het CPB twijfelachtig. Midden jaren negentig begon men eerst in het buitenland en vervolgens in Nederland zelf over het `poldermodel' te spreken. De banengroei die hiervoor de aanleiding was is inderdaad opmerkelijk geweest, niet alleen in termen van het aantal nieuwe banen, die overwegend deeltijdbanen waren, maar ook in termen van arbeidsvolume (werkgelegenheid in voltijdbanen). Was dit het gevolg van sterk aantrekkende investeringen en exportprestaties en van bovengemiddelde economische groei? De data van de OESO wijzen niet in deze richting.

Van 1984 tot 1995, dus in de fase voorafgaande aan de poldereuforie, was de Nederlandse economische groei niet hoger dan in bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk waar de banengroei veel lager of zelfs nihil was. En het niveau van de investeringen is na 1985 niet meer gestegen – ondanks gecontinueerde loonmatiging. Het interessantst en het meest relevant voor de concurrentiepositie is echter de export. Die steeg, maar minder dan in andere landen, met als gevolg dat Nederland één van de weinige OESO-landen was waarvan het aandeel in de totale wereldexport daalde (van 3,9 naar 3,6 procent). De opvatting dat een door loonmatiging bewerkstelligde verbetering van de Nederlandse concurrentiepositie de grondslag vormde van de gunstige ontwikkeling van de werkgelegenheid, kan daarom nauwelijks worden volgehouden.

Kennelijk leidt loonmatiging niet vanzelfsprekend tot een verbeterde concurrentiepositie. Concurrentie is meer dan alleen prijsconcurrentie. Factoren als de kwaliteit en het imago van producten en niet eenvoudig te verbreken relaties tussen hoofdproducenten en toeleveranciers zijn evenzeer van belang en vaak zelfs doorslaggevend. Alledaagse voorbeelden illustreren dat: Albert Heijn is niet de goedkoopste, maar toch de grootste `kruidenier', en ondanks een lagere prijs en volgens consumentenorganisaties betere kwaliteit kan Philips met zijn mobieltjes niet aan de positie van Nokia tippen.

De afwezigheid van een stringent verband tussen loonmatiging, concurrentiepositie, economische groei en ontwikkeling van de werkgelegenheid wordt ook duidelijk als men de jaren na 1995 onder de loep neemt. Met de Nederlandse loonmatiging wilde het nu, op de krapper wordende arbeidsmarkt, niet meer zo vlotten als voordien, de relatieve arbeidskosten per producteenheid (unit labour costs) daalden minder dan in bijvoorbeeld de grootste handelspartner Duitsland; maar het Nederlandse aandeel in de wereldexport trok weer aan, de groei van het BBP was aanzienlijk hoger dan in de omringende landen en de meeste andere OESO-lidstaten, en de banenmachine draaide op ongekende toeren.

Of Groot-Brittannië, waar helemaal geen loonmatiging plaatsvond, waar de economie werd opgezadeld met een appreciërend pond sterling, waar de relatieve unit labour costs van 1995 tot 2000 met bijna 50 procent stegen, maar waar export en werkgelegenheid toenamen en de economische groei boven het gemiddelde van de EU uitsteeg.

Uit het voorgaande kunnen twee conclusies getrokken worden. Ten eerste dat de gangbare verklaring van het Nederlandse `banenwonder' door loonmatiging op wankele poten staat. Alternatieve verklaringselementen die nader onderzoek verdienen zijn:

De toenemende loonspreiding die mogelijk werd gemaakt door de herhaaldelijke bevriezing van het minimumloon (het jeugdminimumloon werd zelfs verminderd).

De daarmee verband houdende concentratie van nieuwe banen, die vooral bezet werden door vrouwen en jongeren, in de laagste loonschalen.

Betreffende de tweede helft van de jaren negentig de explosieve stijging van de huizenprijzen en het afsluiten van overwaardehypotheken en andere leningen voor consumptieve doelen waardoor de vraag naar goederen en diensten een grote vlucht kon nemen.

Samenhangend met dit laatste punt zou ten tweede de grootste zorg voor de komende jaren niet moeten uitgaan naar uit de hand lopende loonstijgingen – die bij het op macro-economische verantwoordelijkheid georiënteerde gedrag van FNV en CNV niet te verwachten zijn – maar naar de gevaren die schuilgaan achter de in hoge mate op schulden gebaseerde economische voorspoed van de laatste jaren.

Consumptie op de pof nam niet alleen in Nederland toe, maar tevens in een reeks andere landen – Australië, Denemarken, Ierland, Spanje, Zweden en vooral de VS – waar een gunstige economische ontwikkeling samenviel met sterk stijgende huizenprijzen (en beurskoersen, maar dat was een algemener verschijnsel). Zolang de hoge prijs van onroerend goed als onderpand overeind blijft valt misschien te leven met de hoge schuldenlast van particuliere huishoudens. De verhoging ervan kan echter niet oneindig doorgaan en ooit, vooral als de huizenprijzen dalen, zullen de huishoudens moeten beginnen meer te sparen dan te lenen. Voor de vraagkant van de economie zal dit scenario niet gunstig uitpakken en over meerdere jaren volgehouden loonmatiging kan de mogelijke negatieve ontwikkeling nog versterken.

Het valt niet te verwachten dat door de lonen meer te matigen dan nu al gebeurt, de kwakkelende economie een ferme push krijgt. In tegenstelling tot vooral de grotere landen kan Nederland door zijn economische specialisatie een deel van de negatieve gevolgen van langdurige loonmatiging afwentelen op de exporteurs van auto's en andere duurzame goederen. Maar de periode van 1979 (feitelijk begon de loonmatiging toen al, niet pas na `Wassenaar' in november 1982) tot omstreeks 1995 leert dat relatief afnemende importen niet samenging met een verbetering van de Nederlandse concurrentiepositie. Die periode is dus geen valide basis voor een hernieuwde roep om versterkte loonmatiging. Daar komt bij, zoals onlangs nog werd betoogd door de Amerikaanse econoom Michael Porter, dat loonmatiging een negatief effect op technische vernieuwing kan hebben.

Dit is geen pleidooi voor loonstijgingen, maar een pleidooi tegen de reductie van concurrentie tot prijsconcurrentie alsmede tegen het construeren van simplistische verklaringen voor complexe verbanden.

U.Becker is verbonden aan de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk onderzoek.