Toevallige ontmoeting

In het begin van de jaren zeventig woonde Gerard Reve in Weert, aan de Nieuwe Markt, boven Bakkerij Korsten, in de flat van Guus van Bladel. Hij voelde zich er, althans naar omstandigheden, op zijn gemak, althans een paar jaar lang. `Gerard Reve hield van Weert', zo zegt de vrouw van de plaatselijke meubelmaker in Koninklijke jaren, het boek dat Bert Boelaars schreef over de Weerter periode van de grote volksschrijver. Boelaars meldt ook dat de caissière van de Albert Heijn verliefd op hem werd. Omgekeerd zag Reve weer veel in de plaatselijke groenteboer. En hij vatte een grote liefde op voor de postbode – zo groot dat hij brieven aan zichzelf begon te sturen, om verzekerd te zijn van dagelijks bezoek van de leuke postbesteller.

Toen ik dat las schoot ik in de lach, maar waarom eigenlijk? Het was slim, om te beginnen. Mooi bedacht. Het was ook wel ontroerend, typisch iets voor een verliefde geest. En absurd: onwetende postbode bezorgt braaf lege brief. Tegelijk had het ook iets kinderlijks. Om het ontvangen van brieven hangt een zekere ongewisheid: wanneer, van wie, wat zou er in staan? Maar hier ging het de ontvanger niet om de brief, maar om de bezorger ervan. Ook in dat opzicht had Reves correspondentie met zichzelf iets ongepasts. De ware verliefdheid is omgeven met een sfeer van gril en geluk, de charme van de toevallige ontmoeting, iemand zomaar tegen het lijf lopen, maar hier probeerde de verliefde Reve de zaak meteen te regelen, en van ieder element van verrassing te ontdoen.

Toevallige ontmoeting. Ik zat te bladeren in een oude bloemlezing uit wat ooit recente Japanse poëzie moet zijn geweest: The Poetry of Living Japan, vertaald in het Engels, verschenen in 1957. Daar viel mijn oog op een gedicht met de titel `Toevallige ontmoeting'. Het was van de mij onbekende dichter Katsumi Tanaka. Geboren in 1911. Studeerde geschiedenis in Tokio. Vertaalde Novalis. Was omstreeks 1957 leraar in Osaka. Het zegt allemaal niets. De titel ook niet. Meestal gaat er achter zo'n `Chance Encounter' een liefdesgedicht schuil, maar hier niet. Hier werd niet de toevallige ontmoeting bezongen, maar de toevallige misloping van elkaar, of hoe je een niet tot stand gekomen ontmoeting ook maar noemen moet: telaatkoming, misverbinding, onontmoeting, gemiste kans. `In 1910 was de komeet van Halley te zien', zo begint Tanaka. `En ik werd een jaar later geboren', laat hij er droog op volgen. (Ik vertaal tamelijk vrij de Engelse vertaling van het Japanse origineel). Dus bij Tanaka begon het al meteen met een telaat. En het is waarschijnlijk dat het met een tevroeg zal eindigen. Want `de omloop van de komeet duurt 76 jaar en 7 dagen', heeft Tanaka inmiddels gelezen, en hij zal dus niet eerder dan in 1986 weer opnieuw te zien zijn. De dichter moet al halverwege zijn leven tot zijn spijt concluderen dat hij het beroemde hemellichaam vermoedelijk nooit zal zien.

Tanaka maakt dan een enorme zwenking: van de grote sterrenhemel naar de kleine wereld van alledag, van heelal naar individu. Wat voor de komeet van Halley geldt, zou ook wel eens voor de mensen kunnen gelden: ze scheren ongezien langs elkaar heen. Zijn voorstelling van zaken is somber: `Zelden ontmoet men een gelijkgestemde geest,/ en een gelukkige liefde is al even zeldzaam.' Zijn slotregels zijn desolaat: `Ik weet zeker: mijn beste vriend dient zich pas aan na mijn dood,/ en mijn liefste stierf vlak voordat ik ter wereld kwam.'

Ook hier schoot ik, net als bij Reve, in de lach. Omdat ook hier, mooi op de valreep, overdrijving in het spel was. Strikt genomen kan men niet van vrienden of geliefden spreken als men ze misloopt – dat is de grappige paradox aan het slot van Tanaka's klaagzang. Je zou het daarnaast ook een dom gedicht kunnen noemen. Deze dichter denkt blijkbaar dat ontmoetingen tussen mensen zich aan dezelfde becijferbare omloopsnelheden en snijpuntberekeningen houden als kometen – al is deze geestige domheid misschien ook wel opzettelijk.

Of Tanaka nog leeft weet ik niet, maar zijn beste vriend diende zich onlangs aan, in de persoon van de Friese dichter Tsead Bruinja, geboren in 1974. In diens bundel De wizers yn it read (2000) staat een titelloos gedicht dat, toevallige ontmoeting, de tegenhanger van Tanakas `Toevallige ontmoeting' is. Hier is de liefste er al meteen, in het eerste woord zelfs. Hier wordt niet uitgezien naar een denkbeeldige toekomstige ontmoeting, maar juist teruggekeken op een gedeeld verleden van vermoedelijke mislopingen, vergissingen, verboden, wetten en praktische bezwaren. Het is een overrompelend gedicht, zonder hoofdletters, zonder leestekens, zonder rijm. Zo begint het, in de vertaling van Jabik Veenbaas: `liefste niemand weet hoe wij in eerdere levens/ elkaar voorbij liepen of de bus misten waar één/ van ons beiden in zat'. En zo volgen er nog meer redenen voor gemiste liefde. Te groot leeftijdsverschil, onverenigbaar geloof, te grote afstand, verschillende culturen op verschillende continenten: `ik was misschien druk in de weer met/ het uitvinden van vuur terwijl jij en je vrijer// ginds over de oceaan de kaarsen ontstaken.' Het zijn de ook hier weer overdreven voorstellingen van een verliefde die zijn liefde gevonden heeft en nu de rest van het universum alleen nog maar kan zien als een verzameling van niet tot stand gekomen ontmoetingen. En ook hier wordt het kleine weer gemakkelijk met het grote verbonden. Dit is het lied `van twee die één worden', dus dat is mooi. Maar als ze ooit moeten scheiden zal `dit heelal' (alsof er meer dan één heelal is) te klein zijn voor hun verdriet. En als ze niet tegelijk mogen sterven dan, hoopt de dichter, `laat tijd ons uit elkaar rukken'. En net toen ik me afvroeg hoe dat er precies uit zou moeten zien, las ik, in de slotregel: `wij slaan terug met bruggen van woorden'. Een mooi beeld voor hoe een gedicht een toevallige ontmoeting tot stand kan brengen: een lichte luchtbrug van woorden en zinnen gemaakt, moeiteloos te spannen over alle talen en tijden heen, bijvoorbeeld van Rinsumageest (geboorteplaats van Bruinja) naar Osaka (laatst bekende verblijfplaats van Tanaka) naar overal – overal waar maar lezers zijn.