Roofbouw in de dans

In de negentiende eeuw verscheen ze ten tonele als etherisch fantasiewezen en ultieme belichaming van de romantische tijdgeest. Hoog op de spitzen en nog hoger geheven door een edele danser gaf de ballerina gestalte aan het ideaal om weg te vluchten van aardse beslommeringen. En tot op de dag van vandaag wordt die schone schijn bereikt via ongenadige discipline en met veel bloed, zweet en tranen. De bovenbenen van Olga de Haas gaat zowel over de paradox dat een danseres alleen door strenge discipline haar lijf `lichaamloos' kan doen lijken als over de vraag hoe dansen en leven valt te combineren. Want hoe groot moet de toewijding zijn? Als die van een non, zoals de danseres Alicia Markova stelde in haar autobiografie – een bron waarop de schrijfster zich baseert – of als die van de eigentijdse ballerina Darcey Bussell die vindt dat er genoeg tijd voor andere dingen moet overblijven.

Aaltens betoog is opgehangen aan de tragische geschiedenis van de beroemde soliste Olga de Haas (1945-1978). Deze ambitieuze danseres pleegde roofbouw op haar lijf, ze moest haar carrière staken en was zó opgebrand dat medisch ingrijpen niet meer baatte. Anorexia nervosa komt niet voor in het boek, hoewel die ziekte ook een oorzaak was van haar slechte conditie. Aalten ziet haar verhaal als metafoor. De schuld voor dit drama legt ze bij de beroepscultuur – bij balletmeesters, choreografen en leiders. Die houden veelal de afhankelijkheid van jonge danseressen in stand en stimuleren een gevaarlijke slankheidscultus.

Aalten gaat de mythevorming rond ballerina's vanuit feministisch perspectief te lijf. Daarbij kijkt ze in vogelvlucht terug op de Europese danskunst: vanaf het ontstaan van de onaardse sylphide tot het atletische `squelette de grâce' dat de Amerikaanse choreograaf Balanchine in de 20ste eeuw creëerde. Zijn ballerina's leken veeleer uit ruimte (lange lijnen) en tijd (snelheid) te bestaan dan uit spieren, pezen en botten. Vooral in Amerika is de laatste tien jaar de ballerina het ideale onderwerp geworden voor universitair gender onderzoek. Aalten refereert hieraan, haar boek drijft zelfs op andermans inzichten, vooral op die van danswetenschapper Susan Foster, waaraan ze helaas geen essentiële zaken toevoegt. Wel legde ze haar oor te luister bij Nederlandse danseressen om de vermeende misstanden aan hun ervaringen te staven. En daardoor is De bovenbenen van Olga de Haas vooral een helder geschreven, overzichtelijke inleiding op deze materie, de eerste in dit genre in Nederland. Aan fundamentele vragen – of het romantische erfgoed nog past in een gedemocratiseerde cultuur of wat de consequenties zijn voor de balletstijl als er aan de principes wordt getornd – waagt ze zich niet. En voor haar curieuze haat-liefdeverhouding tot het ballet heeft ze een wetenschappelijk verantwoord antwoord. Danseressen blijken niet alleen slachtoffer te zijn. Ze staan als krachtige en ambitieuze vrouwen in het leven en ontlenen ook bevrediging en status aan het dansen. Een verrassend slotakkoord dat beter vooraf gegeven had kunnen worden.

Anna Aalten: De bovenbenen van Olga de Haas. Achter de schermen van de Nederlandse balletwereld. Van Gennep, 256 blz. €15,90