Pure, onschuldige boosaardigheid

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Van de liefde bezeten & Het bal van graaf d'Orgel' van Raymond Radiguet

Verschrikkelijk Frans zijn ze, de twee romans die Raymond Radiguet (1903-1923) in zijn korte leven heeft geschreven. Bijna had ik gezegd: ouderwets Frans, maar je hoeft maar even te denken aan de prachtige films van Eric Rohmer, vol onvermoeibaar over hun gevoelens pratende tieners, om te beseffen dat de liefde in Frankrijk soms nog altijd zo wordt benaderd als in Le diable au corps en Le bal du comte d'Orgel – sensueel en intellectualistisch tegelijk. Radiguets personages leven voor de liefde en ze denken er voortdurend over na, wat de zaken behoorlijk ingewikkeld maakt.

In Le diable au corps, de roman waarmee Radiguet in 1923 op slag beroemd werd, zijn er ook nog andere complicaties. Want de mooie Marthe, op wie de vijftienjarige verteller verliefd wordt, aanvankelijk zonder het zelf te beseffen, is verloofd met een ander. Ook wanneer zij met haar verloofde in het huwelijk treedt, is dat geen reden om de verhouding te beëindigen. Haar omgang met de jonge scholier wordt vergemakkelijkt doordat haar man als soldaat aan het front ligt. De roman speelt zich af in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog.

Voor oudstrijdersorganisaties was dat voldoende om het boek als een cynisch en immoreel misbaksel te verketteren. De jonge verteller werd een `monster van egoïsme' gevonden, en die reactie is wel te begrijpen als je ziet hoe hij met zijn Marthe een amoureuze idylle beleeft, terwijl de rest van de wereld in brand staat. Zij werpt in zijn aanwezigheid de smachtende brieven van haar echtgenoot in het vuur, hij dicteert wat zij haar arme Jacques moet terugschrijven en bezorgt deze zo de enige `tedere' brieven die hij ooit van zijn echtgenote heeft ontvangen.

Toch is de roman nauwelijks immoreel op een provocerende manier. Van zichzelf zegt de verteller `van nature niet opstandig' te zijn. Marthe en hij weten heel goed dat hun relatie eigenlijk niet door de beugel kan. Maar de liefde is sterker, als een amorele natuurkracht die hen volledig in de greep krijgt. Het geeft de boosaardigheid die zij, ook tegenover elkaar, aan de dag leggen, onwillekeurig iets puurs en onschuldigs, alsof zij slechts een spel spelen.

Pas wanneer Marthe zwanger wordt, neemt het spel een serieuze wending, ten nadele van het zenuwgestel van de jonge minnaar, die zich opeens realiseert verstrikt te zijn geraakt in `een avontuur voor volwassenen'. De wapenstilstand, waardoor de terugkeer van de echtgenoot onontkoombaar wordt, en Marthes voortijdige dood in het kraambed ontslaan hem van een verantwoordelijkheid die hij nog niet aankan.

`Ik brandde van hartstocht, ik haastte me, als mensen die jong moeten sterven en die dubbel willen genieten voor het te laat is', zegt de verteller, nadat Marthe zwanger is geraakt. Het citaat is vaak gezien als een aankondiging van Radiguets eigen dood. Kort na de publicatie van zijn debuut stierf hij aan tyfus, diep betreurd door zijn vriend Jean Cocteau, met wie hij een aan Rimbaud en Verlaine herinnerende relatie onderhield. Cocteau zorgde ervoor dat postuum nog een bundel poëzie verscheen en een tweede roman.

In Le bal du comte d'Orgel wordt de liefde, tussen de eveneens gehuwde Mahaut d'Orgel en de jonge François de Séryeuze, niet geconsumeerd. Maar zij is hevig genoeg om hen een boek lang bezig te houden. Het verhaal speelt zich af in 1920, in een Parijse beau monde, bevolkt door edellieden die zich vermaken met nietsdoen en met elkaar.

Tussen François, Mahaut en haar echtgenoot ontspint zich een merkwaardige driehoeksverhouding, die door de echtgenoot wordt gestimuleerd. Dankzij de verliefdheid van François leert hij opnieuw zijn vrouw te begeren alsof hij niet met haar getrouwd was. De roman eindigt nogal abrupt, met de aankondiging van een gemaskerd bal, nadat de beide geliefden zojuist hun maskers hebben laten vallen, door althans voor zichzelf volledig te erkennen dat zij van elkaar houden.

Le bal du comte d'Orgel is minder een afgeronde eenheid dan Le diable au corps, maar aan de broeierige, zinnelijke sfeer doet dat niets af, ook al wordt die ditmaal meer opgewekt door gedachten en verlangens dan door daden. Beide romans zijn miniaturen, geschreven in een heldere, maar daarom niet minder geraffineerde stijl, waarin de wisselvallige sentimenten van de hoofdpersonen onder het vergrootglas worden gelegd. Voor een schrijver van nog geen twintig jaar getuigen ze van een ongewoon analytisch vernuft, dat heel wat ervaring lijkt te verraden.

In hoeverre Radiguet wat hij in zijn romans beschreef zelf had meegemaakt moet overigens in het midden blijven. Dat Le diable au corps een autobiografische achtergrond zou hebben, is door de schrijver altijd ontkend. Zijn roman was geen `bekentenis'. Liever verwees hij naar het type `valse bekentenissen', dat jonge jongens en vrouwen in de biechtstoel afleggen, waarbij zij zichzelf `van nooit begane wandaden beschuldigen, uit trots'.

Radiguets trots komt naar voren in de getuigenissen van zijn vrienden. `Zijn diamanten hart reageerde niet als je het maar even aanraakte', schreef Cocteau, `Het eiste vuur en andere diamanten. De rest negeerde het'. Aan dit `diamanten hart' zijn deze twee (nu in oude vertalingen heruitgegeven) juweeltjes ontsproten, waarvan vooral het eerste volkomen terecht de status van een moderne klassieker heeft gekregen.

(vert. Jacoba van Velde en F.C. Kuipers, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 208 blz. euro 12,–)