Ook in de ruis zit een verhaal

Eros & Thanatos wordt het thema van de volgende boekenweek, en dus lijkt de tijd rijp voor een comeback van het freudiaanse gedachtegoed in de Nederlandse literatuur. De Katwijkse schrijver Robert Haasnoot (1961) neemt daarop vast een voorschot. In zijn nieuwe roman Steenkind borduurt hij subtiel voort op het aloude Oedipus-thema en vooral op de beroemdste casus van de fantasierijke Freud: de Rus Sergius P. In Aus der Geschichte einer infantilen Neurose (1918) werd deze patiënt door de Weense psychiater `de wolvenman' gedoopt, omdat hij ooit droomde dat hij op de takken van de boom voor zijn raam een roedel witte wolven zag zitten – nadat hij zijn ouders bij een coitus a tergo (oftewel op z'n hondjes) had betrapt.

Ook Wouter Sandhof, de vijftienjarige hoofdpersoon van Steenkind, is bang voor de boom bij zijn slaapkamerraam – een wintereik die samen met hem in de eerste scène van de roman getuige is van het geflikflooi van zijn vader en moeder in de tuin. Wouter geneert zich, blijft kijken, ziet hoe zijn ouders het klinkerpad aflopen naar de duinen, en gaat slapen. De volgende morgen blijkt dat hij de laatste is die zijn ouders in leven heeft gezien; hun kleren worden op het strand aangetroffen, het lijk van zijn vader spoelt drie dagen later aan, van zijn moeder ontbreekt elk spoor. Het moederskindje Wouter blijft achter met een schuldgevoel (had hij ze tegen kunnen houden? wenste hij op die avond niet op z'n minst zijn vader dood?) en met een oudere broer die al snel ontspoort.

Het raadsel van moeders verdwijning wordt in de weken daarna alleen maar groter. Wouter, een kinderlijk `schrielkopje' dat op school gepest wordt, gelooft dat ze nog leeft al was het alleen maar omdat hij dat zo graag wil en zoekt troost bij het strenge gereformeerde geloof van zijn tantes van moederskant. Zijn plotselinge godsdienstwaan slaat om in echte hallucinaties waarin zijn moeder een hoofdrol speelt, maar tegelijkertijd krijgt hij vreemde telefoontjes die suggereren dat zijn moeder het slachtoffer is van, of erger nog, medeplichtig is aan een schimmige handel in oorlogskunst waarin vader per ongeluk verzeild is geraakt. De Tweede Wereldoorlog is in het `Zeewijk' van de vroege jaren zestig nog een prangende aanwezigheid.

Vissersboot

Robert Haasnoot, die drie jaar geleden bekend werd met de modern-historische roman Waanzee (over godsdienstwaanzin op een vissersboot), doseert de aanwijzingen voor de ware toedracht als een volmaakte thrillerschrijver; hoewel hij Wouter het verhaal laat vertellen, is er zelfs een moment waarop de lezer denkt dat het jongetje zelf de hand heeft gehad in de dood van zijn ouders. Maar spanning is in zekere zin bijzaak in Steenkind; belangrijker is de psychologie van het jongetje dat op een Oedipus-complexgevoelige leeftijd met een écht trauma wordt geconfronteerd. Wouter is een even labiele als aandoenlijke figuur, in de steek gelaten door iedereen om hem heen (inclusief zijn broer, die al snel de ouderlijke slaapkamer gebruikt voor voospartijtjes met een vriendin). Je kunt je goed voorstellen dat hij tijdens de begrafenis van zijn vader geraakt wordt door de preek van de dominee; en ook dat hij zich identificeert met de bijbelse Job, die na zijn beproevingen `alles dubbel zoveel' terugkreeg van God:

`Ergens in het land van Uz moet Job een geheime plek hebben gehad waar hij zijn eerste kinderen in hun nieuwe levens kon bezoeken, anders zou hij nooit tevreden, oud en der dagen zat zijn gestorven. Vanwege de weddenschap met de duivel heeft hij daar nooit over mogen spreken.'

Die `eerste kinderen' van Job, gedood door God als onderdeel van de test, fascineren Wouter bovenmatig, want zelf is hij in meer dan één opzicht een tweede kind: een jaar voor zijn geboorte heeft zijn moeder een miskraam gehad – `een steenkind noemde de dokter het' en Wouter heeft zich lang afgevraagd waar het jongetje nu was en of het een hekel aan hem had omdat hij zijn leven had ingenomen. Toen hij die vragen uiteindelijk aan zijn moeder stelde, antwoordde ze dat ze vast geloofde dat God bij de eerste keer zag dat er `iets niet in orde' was en hetzelfde kind een ander lichaam had gegeven: `,,Jij was het, beide keren'.' Wouter voelt zich het steenkind, en als om dat te onderstrepen, loopt hij gedurende de gebeurtenissen die zijn leven veranderen met een aan het strand gevonden kiezel in zijn zak een talisman die alleen maar ongeluk brengt.

IJsbergmodel

Wouter, of liever Robert Haasnoot, vertelt het allemaal in de tegenwoordige tijd, in bedrieglijk simpel proza. Als een Nederlandse Bernhard Schlink (De voorlezer) of Ernest Hemingway hanteert hij het ijsbergmodel: één achtste is zichtbaar, de rest laat zich raden. De snelle lezer krijgt een verhaal dat van begin tot het einde boeit (zelfs al lijkt de ontknoping te ontbreken), de aandachtige een gelaagd drama dat tot herlezen dwingt. De roman is als de evangelisatie-tape van tante die door Wouter wordt overgespoeld met zijn eigen monoloog (zie kader): in de ruis verbergen zich steeds meer verhalen.

Steenkind is met amper 160 bladzijden een bescheiden boek; maar er valt veel aan te beleven. Niet alleen dankzij het ontroerende portret van een jongetje dat aan raadsels is overgeleverd, of door de Wolkers-achtige manier waarop de schrijver een bekrompen (en gereformeerde) dorpsgemeenschap neerzet – iets wat hij ook al overtuigend deed in Waanzee. Maar ook door Haasnoots effectieve stijl. De toon wordt in het begin al gezet, wanneer Wouter de ochtend nadat hij zijn ouders zoenend heeft zien weglopen in de keuken komt: `Vuile vaat in de gootsteen, lege flessen. Een wijnglas met een kurk erin, een schotel vol peuken. Overal voorwerpen die zich schamen over wat zich gisternacht in het donker heeft afgespeeld.' Even raak, en bovendien geestig, is Wouters verslag van de kerkdienst bij zijn vaders begrafenis: `...en daarna hebben we met z'n allen gezongen, alsof we aan een eind touw stonden en met lange halen een loodzware last moesten binnenhalen.' En dan is er nog het commentaar van Wouter wanneer hij zijn tante een lastige vraag stelt: `Ik zie tante schichtig door de drukte in de winkelstraat heen in het verleden zoeken. Zo te zien is het daar niet prettig.' Nee, in de wereld van Robert Haasnoot is het verleden niet prettig, en het heden ook niet. Maar de schrijver zelf, die heeft een mooie toekomst voor de boeg.

Robert Haasnoot: Steenkind. De Geus, 159 blz. €17,50 (geb.)