Neem mij aan boord, fregat

Een anekdote van Gustave Flaubert, uit een brief aan zijn minnares Louise Colet van 29 mei 1852: `Ik heb een bediende gehad die geregeld tabak snoof. Ik heb hem, wanneer hij een snuifje nam, vaak horen zeggen (om zich voor zijn gewoonte te verontschuldigen): Napoleon snoof ook. En ongetwijfeld was het zo dat die tabaksdoos een zekere verwantschap tussen die twee in het leven riep, een verwantschap die, zonder de grote man naar beneden te halen, die vlegel aanzienlijk in zijn eigen achting deed stijgen.'

Flaubert beschrijft hier de machteloze zelfvergroting die je ook ziet in sommige filosofische zelfhulpboeken, die momenteel de markt overspoelen onder de noemer `levenskunst'. Een van succesvolste vertegenwoordigers van dat genre is de Britse schrijver Alain de Botton. In zijn bestseller De troost van de filosofie (2000) ging hij de frustraties van het dagelijks leven te lijf met denkers als Socrates, Schopenhauer en Montaigne. De verleiding van zelfvergroting probeert De Botton te bezweren door de `ik' in zijn werk zo klein en gemiddeld mogelijk te maken. De heroïsche levenskunst van de grote meesters komt daardoor nog beter uit de verf. In zijn nieuwe boek De kunst van het reizen past hij zijn formule toe op het reizen. Hij presenteert zich als een nogal onbeholpen, toeristische everyman en laat vervolgens aan de hand van allerlei hoogtepunten uit de cultuurgeschiedenis zien hoe het wèl moet. Ook in zijn eerste boeken, die vooral over de liefde gingen, gebruikte hij al min of meer hetzelfde procédé – het meest geslaagd in De romantische school (1994). Proust onderging de behandeling-De Botton in Hoe Proust je leven kan veranderen (1997). Alle onderwerpen lenen zich in principe voor zijn methode. Waarom geen boek over de kunst van het opvoeden, of van het eten?

De Botton is een geboren didacticus, die zijn publiek allesbehalve overschat. Hij begint De kunst van het reizen met een verhandeling over de teleurstelling die menig toerist bekruipt als hij op zijn bestemming is gearriveerd. Want wat blijkt: op reis ben je vaak even chagrijnig en verveeld als thuis. De Botton maakt in het paradijselijke Barbados net zo goed ruzie om niks met zijn vriendin. Hij koppelt dit weinig opzienbarende inzicht aan een beschouwing over de decadente held Des Esseintes in de roman À rebours van Huysmans, die, bepakt en bezakt, op het laatste moment besluit om toch maar niet naar Engeland te gaan. Moraal: de verbeelding is mooier dan de werkelijkheid, of de werkelijkheid is op z'n minst anders.

Zo gaat het verder. Steeds koppelt hij bekende toeristische verschijnselen aan persoonlijke andekdotes en knap geschreven, beknopte portretten van grote, vooral negentiende-eeuwse kunstenaars. Hij streeft niet naar originialiteit: de schoonheid van hotels behandelt hij aan de hand van de schilderijen van Edward Hopper, wegdromen bij vertrekkende schepen en vliegtuigen bespreekt hij naar aanleiding van Baudelaire (`Neem me mee, wagon! Neem mij aan boord, fregat!/ Ver van hier, waar het slijk bestaat uit onze tranen!'). Hier en daar is hij origineler. Zijn verhaal over de allure van het exotische hangt hij niet alleen op aan Flauberts liefde voor het Midden-Oosten, maar ook aan een bezoek aan Amsterdam. Daar raakt De Botton in vervoering van de wegwijzers op Schiphol, in een lettertype dat iets weg heeft van De Stijl, en van een meisje dat boodschappen doet in de Pijp.

De kunst van het reizen is zelf opgebouwd als een reis, met steeds een bekende naam als `gids', en wekt zo de schijn van samenhang. Maar het blijven op zichzelf staande opstellen. De Botton blinkt niet uit in beschrijvingen en dat is voor een reisboek toch een handicap. Hoe minder je van een onderwerp afweet, hoe meer plezier je kunt beleven aan een hoofdstuk. De beschouwing over Van Gogh en de Provence is minder interessant dan het hoofdstuk over de dichter Wordsworth en de tegenstellingen tussen stad en platteland. De Botton schrijft ook boeiend over de inspanningen van de kunsthistoricus John Ruskin om de arbeidersklasse te leren schetsen, en zo beter te leren kijken.

Ook het hoofdstuk over `het sublieme' in een landschap is de moeite waard. Maar het is ergerlijk dat De Botton dat mysterieuze gevoel van ontzag voor overweldigende natuurverschijnselen in razend tempo weet terug te brengen tot de platitude dat de wereld niet alleen om ons draait: `Sublieme landschappen [...] bewerkstelligen dat we ons zonder bitterheid en geweeklaag neerleggen bij obstakels waar we niet omheen kunnen en dat we gebeurtenissen accepteren waar we niets van begrijpen.' Zulke levenslessen strooit hij achteloos rond en hij wekt de indruk dat het eenvoudig zou zijn om ze in de praktijk te brengen.

Het landschap staat zo bovendien juist wèl in dienst van onszelf. De Botton heeft nauwelijks oog voor reizigers die niet in de eerste plaats hun eigen leven willen veraangenamen, of hun persoonlijkheid ontplooien, maar die op zoek zijn naar iets buiten zichzelf, misschien zelfs iets dat groter is dan het ego. De wereld wordt bij hem wel heel erg klein: overal kom je jezelf tegen. Waarom zou je dan niet gewoon thuisblijven? De Botton besluit De kunst van het reizen met een wandeling door de buurt in Londen waar hij woont.

Alain de Botton: De kunst van het reizen. Vertaald uit het Engels door Jelle Noorman. Atlas, 256 blz. €20,50. The art of travel, de Engelse editie, verschijnt in mei bij Hamish Hamilton