Minachting voor het publiek

Sinds kunst en cultuur een handelsproduct zijn geworden, lijken musea steeds meer hun functie te verliezen. Een ramp voor de kunst.

Op de reclameposter voor het Nationaal Museumweekend staat het gezicht van een ongeveer achtjarig meisje, en profil, dat haar tong uitsteekt naar de marmeren buste van een besnorde oudere man, eveneens en profil, dicht tegenover haar. Het kan ook zijn dat het meisje op het punt staat om de marmeren kop te likken. Deze dubbelzinnigheid wordt bevestigd door het motto van het Museumweekend: `De kunst van het genieten'. Je zou het een vorm van kinderpornografie kunnen noemen, die rode, natte tong van het meisje vlakbij de oude mannenkop. Met deze platte foto hopen de musea dus bezoekers naar binnen te lokken.

Want zo groot mogelijke bezoekersaantallen, daar draait het allemaal om. Er is niets waartoe Nederlandse museumdirecteuren niet bereid zijn om de massa's binnen te halen. Ze wedijveren met elkaar in nóg banalere tentoonstellingen. In het Stedelijk Museum moeten Dennis Hopper, koningin Beatrix en Kamagurka het failliet van dit museum, ontstaan sinds het aantreden van directeur Rudi Fuchs, met mensenmassa's maskeren (overigens met het tegenovergestelde effect). In Museum Boijmans maakt een `educatieve' tentoonstelling aan jongeren duidelijk dat de christelijke religie, seks en pornografie één en hetzelfde zijn. Het Kröller-Müller Museum staat de komende weken in het teken van Harry Potter en een speurtocht naar de Steen der Wijzen. In het Centraal Museum komt men, na zich door een entree in de vorm van een vagina gewrongen te hebben, medebezoekers tegen die gekleed zijn in badjas en badslippers: zij hebben zojuist naakt gezwommen in het museum, onder een videoplafond. In de ijver om de kunst hapklaar aan het publiek te verkopen, aarzelt het Centraal Museum niet videokunst te exposeren waarbij het geluid is weggedraaid. Geamputeerde kunstwerken dus, vertoond samen met reclamefilmpjes van Heineken en Calvé. Het Centraal Museum klaagt steen en been over de populistische invloed van Leefbaar Utrecht op het gemeentelijke cultuurbeleid, maar bedient deze partij tegelijkertijd op haar wenken. Het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem bereidt een `bruisende culturele zomer' voor, aldus een persbericht, met `actuele kunstenaars, jonge veelbelovende talenten', die houden van een `laboratorium-achtige' situatie en die onder meer het publiek `zullen uitdagen zelf te gaan bouwen met multi-functionele meubels'.

Het is maar een greep uit het aanbod.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Rond ongeveer 1980 is er een cultuuromslag in de musea begonnen, waarbij het museumbeleid in het teken van kwantiteit is komen te staan. Meer jonge kunst, hypes, sensationele thematentoonstellingen, grotere en chiquere museumgebouwen, en vooral: meer bezoekers. Kunst en cultuur zijn een handelsproduct geworden. Zorgvuldig voorbereide eenmanstentoonstellingen zijn inmiddels een zeldzaamheid. Evenals goede presentaties van de vaste collectie, terwijl die collectie het hart van het verzamel- en presentatiebeleid behoort te zijn. Wim van Krimpen, directeur van het Haags Gemeentemuseum, gaf onlangs in een recent interview in Elsevier de schuld aan de politiek: ,,De politiek geeft een zakje geld en wat willen ze ervoor terugzien? Bezoekers. Musea worden afgerekend op het aantal bezoekers. De cultuur is erg resultaatgericht geworden. Musea waren vroeger wetenschappelijke instituten. Dat zijn ze niet meer. Nu moeten we concurreren met pretparken. [...] De mensen komen nu voor de totale ervaring.''

Een juiste analyse, maar Van Krimpen is niet te beroerd om ijverig aan de door hem geschetste ontwikkeling mee te werken. De ene na de andere slordig in elkaar gezette expositie rammelt hij eruit, daarbij de vaste opstelling met belangrijk werk van onder meer de Haagse School en Mondriaan volledig veronachtzamend. Zijn tentoonstellingen gaan vergezeld van ronkende persberichten waarin hij als het hem uitkomt het niet zo nauw neemt met de geschiedenis. Zo wordt in de informatie bij de huidige tentoonstelling van Minimal Art beweerd dat de eerste tentoonstelling van Amerikaanse Minimal Art in Nederland georganiseerd werd door het Haags Gemeentemuseum. Dit is onjuist: die werd georganiseerd door Jean Leering in het Van Abbemuseum in 1967, met werk van onder anderen Frank Stella, Robert Morris, Donald Judd en Dan Flavin. Dit soort informatie is verlakkerij. Net zo goed als het verlakkerij is dat het Bonnefantenmuseum in Maastricht momenteel tweederangsschilderijen van de belangrijke schilder Philip Guston presenteert als een belangrijke ontdekking en als een hoogtepunt in diens oeuvre, schilderijen die `in termen van intensiteit en radicaliteit dicht bij de uitstraling van intensiteit liggen van het late werk van Picasso en Matisse' wat een gekwaak. Het einde is zoek.

Het is dan ook een teken aan de wand dat het Stedelijk Museum besloten heeft de eigen bibliotheek permanent elders, in Amsterdam-Noord, onder te brengen. Het is een prachtige bibliotheek, gelegen in het hart van het museum, die decennialang voor iedereen toegankelijk was. Kunst- en kunstgeschiedenisstudenten, kunstenaars, geïnteresseerden, iedereen maakte er dankbaar gebruik van. Een Stedelijk Museum zonder bibliotheek is een ander instituut dan een Stedelijk mét bibliotheek in huis. Die bibliotheek betekent dat de beeldende kunst iets is om te onderzoeken, te proberen te doorgronden, om langzame aandacht aan te wijden.

`Ontideologisering' is een term waarmee het paarse tijdperk wordt gekenschetst. Het is een term die nauw verbonden is met het postmodernisme. De oude scheidslijnen tussen high en low art, tussen kunst en kitsch en tussen de verschillende disciplines bijvoorbeeld tussen autonome kunst en vormgeving zijn vervaagd. En het is waar: de naoorlogse modernisten wáren drammerig, ideologisch en dogmatisch. Van hun aanspraken op waarheid en van de algemeen geldende criteria en canons hebben kunstenaars zich in het postmoderne tijdperk bevrijd. Maar ondertussen is het kind met het badwater weggegooid. Beeldend kunstenaars hebben zelf de barrières tussen de hoge en lage cultuur geslecht, in een lange ontwikkeling die begon in de eerste decennia van de 20ste eeuw. Denk bijvoorbeeld aan Dada, Picasso, aan een schilder als Francis Picabia, aan Marcel Duchamp. Het heeft een enorme impuls gegeven aan de 20ste-eeuwse kunst.

Maar de jonge kunstenaars van nu lijken het spoor bijster te zijn. Het `niet willen kiezen' is veranderd in een `niet kunnen kiezen'. Het is verbazend dat, voorzover ik weet, geen één videokunstenaar geprotesteerd heeft tegen de manier waarop het Centraal Museum zijn werk mishandelt. Waarschijnlijk komt het omdat veel kunstenaars inmiddels niet meer in staat zijn om het verschil tussen kunst en reclame te articuleren.

Is dit erg? Ik dacht het wel. Kunstenaars kunnen zich nauwelijks verdedigen tegen domme eisen van politici zoals `cultureel ondernemerschap', en de eisen van de markt. De eisen van de markt hebben de musea zo langzamerhand volledig in hun greep. De filosoof Fredric Jameson spreekt in zijn artikel `Globalization as Philosophical Issue' (in The Cultures of Globalization, 1998) van `the libidinalization of the market'. Dit `libidinaliseren' van de markt is `de reden dat zoveel mensen tegenwoordig denken dat dit saaie en archaïsche ding [de markt, JW] sexy is'. Het verbruiksartikel is zijn eigen ideologie geworden, in een wereldwijde cultuurideologie van consumptie. De verschillen tussen het economische en culturele vervagen. Het economische wordt cultureel, terwijl het culturele gaandeweg economisch wordt. In Amerika behoort, samen met voedsel, de cultuur, bijvoorbeeld de Hollywoodfilm, tot de belangrijkste exportproducten. Jameson stelt dat er nog nauwelijks enclaves zijn, esthetisch of anderszins, waar het verbruiksartikel niet oppermachtig is.

Het museum zou zo'n enclave moeten zijn. Het museum zou een vrijplaats moeten zijn waar de kunst op zijn minst niet onder economische druk staat. Als dat niet langer zo is, en daar lijkt het op, dan is het atelier van de kunstenaar de laatste enclave. Want hoe je het ook wendt of keert, alle hippe, Koolhaas-achtige theorieën over zaligmakend shoppen ten spijt, het ontstaansproces van kunst en, meer nog, de bestaansreden voor kunst, heeft niets, maar dan ook helemaal niets, met de markt te maken. De kunst is niet snel en hyperig, in weerwil van wat de musea ons voorspiegelen. De kunst ontwikkelt zich langzaam, en alleen wie er moeite voor wil doen, er tijd en aandacht aan wil besteden, zal er iets aan hebben. Het is dan ook heel erg dat veel beeldend kunstenaars van rond de zestig, zeventig jaar, die nu hun beste werk maken, niet in de musea zijn te zien, omdat museumdirecteuren denken dat ze hier niet mee kunnen scoren.

Het is een waanidee dat prettentoonstellingen iets van betekenis op zouden leveren voor het publiek. De politiek en de musea onderschatten het publiek op een beledigende manier. Veel beter zou het zijn om energie en geld te wijden aan serieuze educatie. Maar als nu de musea zelf niet langer de aandacht en ruimte voor de kunst kunnen opbrengen, wie kan het dan nog wel?

Is dit erg?

Ik dacht het wel