`Met Lucebert kun je zingen, spreken en denken tegelijk'

Pieter Boskma publiceerde onlangs zijn epische `De aardse komedie'. Lucebert en Van Ostaijen kusten de poëzie in hem wakker.

Begin februari kwam de dichter Pieter Boskma in het nieuws als `vervalser', omdat twee onbekende gedichten van Gerrit Achterberg in het nieuwe poëzietijdschrift Awater door Boskma geschreven bleken te zijn. Het was een grap die tot zijn verbazing flink uit de hand liep. ,,Dit akkefietje blijft me nog jaren achtervolgen', zegt de dichter in de keuken van zijn Amsterdamse woning, ,,net als De Maximalen.' Boskma maakte in de jaren tachtig enige tijd deel uit van deze groep jonge dichters. Hij ging al snel zijn eigen weg, en ontwikkelde zich tot een dichter van de lange adem. Een voorlopig hoogtepunt in zijn geleidelijk epischer en prozaïscher wordende lyriek, vormt Boskma's laatste boek, De aardse komedie. Een roman-gedicht.

Voor Boskma is De aardse komedie de afsluiting van een periode: ,,Heel veel lijnen, stemmen, en sferen uit vorige bundels komen hierin samen. Het is mijn tiende titel, ik was heel bang dat ik het niet af zou krijgen – dat het mijn unvollendete zou worden.' Na de publicatie van Simpel heelal (1995) begon Boskma met de eerste notities, de laatste twee jaar werkte hij voltijds aan het boek. ,,Mijn streven was om het gedicht en de roman inéén te drukken. De uiterste handreiking van de poëzie aan het proza.'

Het is een lange weg terug van dit grote werk naar de tijd waarin de fundamenten van Boskma's dichterschap gelegd werden. In 1972, Boskma was toen zestien, las hij ...en morgen de hele wereld van Lucebert en Music-Hall van Paul van Ostaijen. Boskma: ,,Het was alsof de poëzie in mij wakker werd gekust door die twee bundels. Het voelde als kreeg ik een tongzoen van de muze zelve. Daarna ben ik meer poëzie gaan lezen, Nederlandse en buitenlandse. Het werk van Trakl, Majakovski, Dante, Achterberg en Gorter is ook heel belangrijk geweest. Het is niet zo dat ik deze bundels van Lucebert en van Van Ostaijen de beste vind, maar hier begon het voor mij: niet alleen het lezen maar ook het schrijven van poëzie. Ik schreef al vanaf mijn dertiende, toen ik verhuisde van Leeuwarden naar Heiloo. Ik zat in de puberteit, had een vriendinnetje, het begon ook met brieven aan haar, het grote verlangen stak daar de kop op, en dat is nooit meer overgegaan. Het waren dagboekachtige teksten die ik schreef, korte verhaaltjes. Toen ik deze bundels onder ogen kreeg, zag ik dat ik eigenlijk op weg was om gedichten te schrijven.'

...en morgen de hele wereld is een bloemlezing, in 1972 samengesteld ter gelegenheid van een tentoonstelling van teksten en tekeningen van Lucebert. Boskma: ,,Het is een prachtig boek waarin ook tekeningen staan, dat sprak me aan want ik las veel strips in die tijd. Bovendien had het een politieke lading, en ik was op mijn manier ook erg politiek geëngageerd. Bij regels als `lyriek is de moeder der politiek/ ik ben niets dan omroeper van oproer' dacht ik, ja, dat wil ik ook wel. Luceberts beeldkracht trof me, zijn vitaliteit, het bezwerende karakter van zijn poëzie, en het muzikale element. En de enorme ruimte die in die poëzie zat, het was echt poëzie waarin alles mogelijk leek, het was niet klef of soft en ging over het hele leven. Dit gedicht met name, hoe dat inzet: `Er is alles in de wereld het is alles/ de dolle hondenglimlach van de honger/ de heksenangsten van de pijn en/ de grote gier en zucht de grote/ oude zware nachtegalen'. En die strijdlustige toon slaat aan het eind om, wordt dan tragisch: `het is alles/ arm en smal en langzaam geboren/ slaapwandelaars in een koud circus'.

,,Luceberts poëzie was revolutionair, en op dat moment sprak me dat erg aan. Nu vind ik dat aspect juist wat matig, af en toe komt het wel wat pamflettistisch over, bijvoorbeeld zijn gescheld op de clerus. `Kinderen der roomse schoot/ kromgefluisterd door gereformeerde dood.' Of `woon in water en wind/ verbrijzel de stilstand het kruis'. Nou, ik heb geen enkele behoefte het kruis te verbrijzelen. Bij Lucebert heb je trouwens ook de mystieke kant. Hij zit dan wel te schelden op de clerus, toch zit er wel een soort godsverlangen in zijn werk. Wat me meteen opviel aan Lucebert en Van Ostaijen, was dat hun poëzie er een is van de eigen tijd. Het staat daar middenin en levert daar commentaar op. Van beide dichters kun je sporen in mijn werk aantreffen. Zeker in mijn debuutbundel, Quest (1987), zie je echo's van Lucebert. Het gedicht `Spookpaleizen uit het oude luchtkasteel', dat is toch een soort commentaar op Lucebert.

,,Ik ben ontzettend blij dat ik via Lucebert en Van Ostaijen de poëzie ben binnengerold. Deze dichters bieden zoveel ruimte, ze staan echt te jongleren: kijk eens wat je allemaal met de taal kan. Dat gevoel kreeg ik ook: poëzie, dat is het, daar kun je alle kanten mee op. Je kunt daarmee schilderen, zingen, spreken en filosoferen tegelijk. Als jonge dichter is het bevrijdend om te lezen, het is zo'n enorme hoorn des overvloeds. Luceberts werk is vernieuwend, hoewel het ook heel duidelijk in de Dada-traditie staat, net als het werk van Van Ostaijen.

,,Wat Van Ostaijens Music-Hall betreft, was ik vooral gegrepen door de wat klassiekere gedichten. Niet zozeer de typografische gedichten, die vond ik heel grappig, maar je hebt er als dichter zo weinig aan, iemand kan dat één keer doen. Hoewel, in 1982 heb ik iets soortgelijks geprobeerd met een goede dichtersvriend, Paul van der Steen, die helaas al weer tien jaar overleden is. We hadden een poëzieblaadje, Virus, en in één nummer hadden we gedichten opgenomen die met uitgeknipte en gerangschikte krantenkoppen waren gemaakt.

,,Wat mij bijzonder bij Van Ostaijen trof was het gedicht `Avondgeluiden', dat surrealistisch begint met: `Er moeten witte hoeven achter de zoom staan/ van de blauwe velden langs de maan'. Je hoort gewoon het `zijpelen van avondlik water', je ziet de paarden draven door die blauwe velden in het maanlicht. Het gedicht is heel sferisch en suggestief, en toen ik het las begreep ik meteen: dit is poëzie. Van Ostaijens titels vond ik ook prachtig, `Metafiziese jazz', `Lied voor mezelf', `Onbeduidende polka'. Van Ostaijen is speels en vitaal, maar tegelijk is hij een goed ambachtsman, geschoold in de klassieken. Hij was, net als Lucebert, vernieuwend voor zijn tijd, en toch ook een klassiek dichter. Die combinatie bevalt mij wel.'

Lucebert, ...en morgen de hele wereld. Van Gennep, 1972, 96 blz.

Paul van Ostaijen, Music-Hall. Bert Bakker, achtste druk, 1982, 219 blz. Verzamelde gedichten, Prometheus/Bert Bakker, 1996.